JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

ONZE MAATSTAF bij het waarderen van 'f verleden

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

ONZE MAATSTAF bij het waarderen van 'f verleden

6 minuten leestijd

(I)

Over dit onderwerp hield de weledele heer drs. J. Kwekk*eboom te Goes een rede op onze jaarvergadering van het Landelijk Verband van Jongelingsverenigingen, 19 febr. 1959, welke rede wij in 6 achtereenvolgende artikelen gaarne aan onze lezers doorgeven.

Wanneer wij, met een oude vergelijking, het leven als een weg beschouwen die door de mens moet worden afgelegd, dan kunnen wij, dit beeld vasthoudend, konstateren, clat er op onze weg, de weg van de tegenwoordige mens, ontstellend veel is clat om onze aandacht vraagt. Links en rechts schreeuwt men ons toe, het ene nieuws volgt op het andere, en wij, wij vliegen toch wel héél erg snel daarheen.

Er is een tijd geweest, er liggen tijden achter ons, waarin dit anders was. Tijden waarin 't leven rustig voortging en cle mensheid zich bezinnen kon. Tijden ook, waarin het leven weliswaar gejaagder werd, maar dan omdat men streefde naar één doel: omdat men wist waarvóór men leefde!

Dit laatste weten wij heel vaak niet meer. De morgen drijft ons naar de avond, en wie geeft zich nog telkens rekenschap van wat hij cloet? De zin der dingen dringt niet tot ons door. Waarom doen we dit of dat en waarom doen we het zó? We wéten 't doorgaans niet, we vinden het alleen gewóón. En niettemin: We zullen rekenschap te geven hebben: God vraagt rekenschap van mensen die zichzelf geen rekenschap van al hun daden geven. Van mensen die niet weten waarom ze het een of ander doen en evenmin waarom ze 't zó doen als ze het doen.

Het leek me daarom goed op deze dag een ogenblik uw aandacht te gaan vragen voor het onderwerp dat U op het programma vond. Dit onderwerp — de maatstaf, ónze maatstaf bij 't waarderen van 't verleden — lijkt velen mogelijk wat erg abstrakt, wat theoretisch, maar niets is minder waar. Ik hoop dat dit U duidelijk zal worden uit hetgeen ik verder zeggen ga.

Wanneer wij ons begeven op het veld van het verleden, wanneer we willen spreken over een bepaalde kwestie in verband met de geschiedenis, clan dienen we te weten wat 't verleden is, wat we bedoelen met „geschiedenis." We kennen allen de verwaande kreet: „Hier wordt geschiedenis gemaakt!" Dit is een kreet clie maar in zeer betrekkelijke zin als waar beschouwd mag worden. Immers, wat de vorsten doen, dat wat een staatsman of een generaal verordent, de dingen ook die wij presteren, kortom: wat er geschiedt in onze wonderlijke wereld, dat alles is uiteindelijk toch niet het werk van mensen, maar het werk van God. Door God, zo leert de Bijbel ons, regeren koningen. En: 't hart der vorsten is in 's Heeren hand als waterbeken: Hij neigt het tot wat Hij, de Heere, wil! Gods Woord geeft ons omtrent dit punt geen twijfelachtig licht. Herinner U de plaatsen uit het Oude Testament waar wordt gezegd dat vorsten met hun volk in opdracht van de Heere weer een ander volk bestraffen. Dus: God maakt de geschiedenis. Geschiedenis is het verhaal van wat de Heere met de mensen doet. En clan: met mensen in de tijd. De eeuwigheid valt buiten het bestek van wat voor ons waarneembaar is. Geschiedenis spreekt in de tijd: geeft een vervolg van feiten, een verloop. Zodra de eeuwigheid voor ons begint, houdt dit vervolg van feiten, houdt dit verloop volkomen op.

Maar nu de andere kant! Geschiedenis is het verhaal van wat de Heere doet, zeer zeker, maar toch ook weer 't verhaal van wat de mensen doen. Herinner U het voorbeeld van zo straks: Een vreemde koning straft het volk van Israël dat tegen God in opstand kwam. In opstand kwam, want wat is leven van God af toch anders dan een opstand tegen God? Die koning heeft die straf dus uitgevoerd in opdracht van Jehova, maar.... hij wordt daar niettemin door schuldig: Hij zal, zegt cle profeet, zijn straf wel ondergaan. Hij was toch voor zijn daden zelve verantwoordelijk? U ziet: In deze zin is dus geschiedenis toch ook weer werk van mensen!

Dit inzicht maakt het niet eenvoudiger, 't Is God die alles heeft beschikt van wat wij doen, en niettemin wij doen het zelf! Hier ligt het onoplosbare probleem voor mensen in de tijd: beschikking van de zijde Gods en verantwoordelijkheid aan onze kant. Wij komen daar niet uit!

Intussen mogen wij nu stellen dat geschiedenis het werk van God is en in zeer betrekkelijke zin het werk der mensen. En deze beide kanten van de zaak zijn onlosmakelijk verbonden: Wat wij doen, doen we door Gods wil. Het is toch immers zo dat buiten deze wil wij ons noch roeren noch bewegen kunnen? Hoe moeten wij dit nu bezien? Bezien wij de geschiedenis als 't werk van God, dan is geschiedenis iets onbegrijpelijks. Wij kunnen absoluut Gods daden niet verstaan, laat staan begrijpen. Gods gedachten zijn toch hoger clan de onze? Hoe zouden wij ze dan bevatten kunnen? Hier past ons enkel maar verwondering, aanbidding eigenlijk.

Maar nu bezien we het van onze kant. Geschiedenis is ook het doen der mensen, het geheel van menselijke daden waarvan zeer bepaaldelijk die dader — deze mens — God en zichzelf zal rekenschap te geven hebben. Hierover mag, ja moet men zelfs een oordeel geven. De mens doet dit of dat en wat hij doet is goed of kwaad. Het heeft vervolgens

dit of dat gevolg, en dat is goed of kwaad. Daarover kunnen wij een oordeel vellen, en ik geloof dat wij dat ook verplicht zijn. Ik kom daar straks wel op terug. Want eerst moet ik U wijzen op een meer dan levensgroot gevaar: Dat wij nu al die menselijke daden, die tezamen de geschiedenis gaan vormen, enkel maar meer zien als menselijke daden, terwijl — we zagen het zoëven — toch God uiteindelijk dit alles leidt. We moeten nooit vergeten dat Gods handelen het menselijke handelen ten allen tijde begeleidt, dat dus het goddelijk aspekt van ons begrip „geschiedenis" ten allen tijde door het menselijke heenspeelt, of, eenvoudiger gezegd: Wij moeten bij 't beoefenen van de geschiedenis nooit blijven in het menselijke vlak: we moeten steeds naar boven zien, naar God, die de geschiedenis bepaalt, hoezeer zijn doen voor ons niet te begrijpen is.

(Wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 maart 1959

Daniel | 8 Pagina's

ONZE MAATSTAF bij het waarderen van 'f verleden

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 maart 1959

Daniel | 8 Pagina's