Luther en de Bijbelvertaling
(6.)
De profeten.
In de inhoudsopgave van het derde deel van het Oude Testament van 1524 staan ook reeds de profeten genoemd. Klaarblijkelijk had Luther, toen met het drukken van dit deel werd begonnen, de bedoeling tevens een vertaling van de profetische boeken hierin op te nemen. Dit plan moest hij echter opgeven. De grote spanningen, die hem te wachten stonden, werden er oorzaak van, dat het verscheidene jaren zou duren, voordat hij het Oude Testament kon afmaken.
In de jaren 1525—1530 was hem nauwelijks een moment rust gegund. De moeilijkheden met de Schwarmer, de opstand der boeren, de discussie met Erasmus, de strijd om het Avondmaal, de kerkvisitatie en de rijksdag van Augsburg, dat alles nam, met de daaraan verbonden enorme theologische en publicistische arbeid en niet te vergeten een steeds groeiende correspondentie, zijn tijd volkomen in beslag. Daarbij kwam zijn slechter wordende gezondheid. Zo bleef de vertaling telkens liggen. Wel was hij gedurende deze jaren met de stof bezig, want hij gaf toen college over de kleine profeten en in 1527 begon hij dit over Jesaja te doen. Als resultaat daarvan verschenen als afzonderlijke geschriften toen de vertalingen van Jona en Habakuk, van Zacharia en Jesaja. In verband met de laatste schreef hij aan zijn vriend Link: „We zitten nu te zweten over de Duitse vertaling van de profeten. O God, wat een zwaar en moeilijk werk is het, om die schrijvers tegen hun wil te dwingen om Duits te spreken. Zij hebben er geen lust in om hun Hebreeuws op te geven en het barbaarse Duits na te zeggen. Het is precies, alsof je een nachtegaal zou dwingen om een koekoek na te doen en zijn eigen heerlijke melodie op te geven voor de monotone koekoekszang, die hij wel haten moet."
Hoe zwaar hem de overzetting van Jesaja gevallen is, blijkt wel uit het feit, dat in het handschrift bijna geen verbeteringen voorkomen. Hij heeft het dus klaarblijkelijk in het net overgeschreven, omdat er in het origineel al te veel veranderingen voorkwamen en hij — wat niet gauw het geval was — medelijden had met de zetter.
De vertraging in de verschijning was oorzaak, dat elders en van anderen vertalingen van de profeten en zelfs complete Bijbels verschenen, voordat die van Luther van de pers kwam. Zo gaf om een voorbeeld te noemen, Zwingli een complete Bijbel uit in het Zwitsers in 1530.
In datzelfde jaar moest hij ter gelegenheid van de rijksdag te Augsburg, zich voor de tweede maal uit het openbare leven terugtrekken, ditmaal op de vesting Coburg. Ofschoon hij in grote spanning verkeerde over de afloop van de rijksdag, was de gelegenheid tot geconcentreerde studie, die hem nu geboden werd, hem hartelijk welkom. Uit allerlei gegevens weten we, hoe groot zijn innerlijke rust was in deze spannende dagen, maar ze blijkt wellicht het duidelijkst uit de ijver, waarmee hij zich zette tot het inhalen van allerlei achterstallig werk. Als hij zich goed en wel heeft ingericht, schrijft hij uit zijn hooggelegen oord van ballingschap aan Melanchton: „Ik ben van plan uit deze Si-
naï een Sion te maken. Ik wil hier drie tenten bouwen: één voor het psalter, één voor de profeten en één voor Aesopus." Hij wilde blijkbaar de vertaling der psalmen nog eens herzien, die van de profeten afmaken en bovendien de fabelen van Aesopus in het Duits overbrengen.
Inderdaad heeft hij in het halve jaar, dat hij op de burcht doorbracht, veel werk verzet. De psalmen kregen daarbij de meeste aandacht. Aan de profeten gaf hij op de Coburg eveneens veel tijd. Met Daniël had hij zich in 1529 bezig gehouden, „omdat de wereld in deze dagen naar haar ondergang schijnt te hollen"; de overzetting daarvan was reeds verschenen, toen hij naar de Coburg vertrok. Hier vertaalde hij eerst Jeremia. Daarna gaf hij van Ezechiël het 38e en 39e hoofdstuk uit. Deze hoofdstukken achtte hij zeer actueel, daar hij de profetie van Gog en Magog op de inval der Turken toepaste, die toen plaats had. Daarna begon hij met de kleine profeten voor zover die nog ontbraken. Thuis gekomen maakte hij de vertaling van Ezechiël af en begin 1532 kwam het laatste deel van het Oude Testament van de pers: „Die Propheten alle Deutsch. Dr. Marth. Luther." Enkele illustraties, die reeds in Jesaja en Daniël geplaatst waren, werden hierin overgenomen. Iedere profeet kreeg een eigen inleidend woord, maar er was ook een voorrede op „die Propheten alle." Enkele gedeelten daaruit willen we hier overnemen:
„Voor het menselijk verstand schijnen de boeken der profeten maar onbelangrijk te zijn, het kan daarin weinig nuttigs vinden. Vooral wanneer meester Wijsneus zijn mening geeft, die de H. Schrift van buiten kent, op z'n duimpje, uit de grote rijkdom van zijn geest oordeelt hij, dat de profeten maar loos en laf gebabbel zijn. Een gevolg daarvan is, dat men de geschiedenis en het werk der profeten niet meer duidelijk voor ogen heeft en alleen nog de woorden en historiën verneemt. En dat is geen wonder, want ook in deze onze tijd wordt Gods Woord veracht, ofschoon nog dagelijks de tekenen en de geschiedenis van de komst van Christus' Rijk ons duidelijk voor ogen gesteld worden. Hoeveel te meer zou dat woord veracht worden, als die geschiedenis en dat doen Gods zouden ophouden! Zo verachtten de kinderen Israëls God en Zijn Woord, terwijl ze toch het brood des hemels, de vurige zuilen en de lichtende wolken voor ogen hadden, bovendien priesterschap en koningschap enz. Daarom moeten wij christenen niet zulke schandelijke, verveelde, ondankbare wijsneuzen zijn, maar de profeten met ernst en vrucht lezen en gebruiken."
En een eind verder zegt hij: „Met zulke predikingen en voorbeelden dienen de lieve profeten ons rijkelijk, opdat wij ons niet zouden ergeren, als we zien, hoe zelfverzekerd en hoogmoedig de goddelozen Gods Woord verachten en zich zelfs niet aan Zijn dreigen storen, alsof God zelf volmaakt niets was. Want in de profeten zien we, dat het tenslotte niemand goed gegaan is, die Gods dreigen verachtte, al waren het ook de allermachtigste keizers en koningen of de allerheiligste en geleerdste lieden, ooit door de zon beschenen. Aan de andere kant zien we er ook, dat niemand ooit verlaten werd, die het gewaagd heeft met Gods troost en beloften, al waren het ook de allerellendigste en armste zondaren en bedelaars, die ooit op aarde geleefd hebben, ja al was het de vermoorde Abel en de verslonden Jonas. Want de profeten bewijzen daarmee, dat God zich aan Zijn eerste gebod houdt en er over waakt, dat Hij een genadig vader wil zijn van armen en gelovigen en dat niemand Hem te min of te veracht is. Maar aan de andere kant ook, dat Hij een toornig richter is der goddelozen en trotsen en dat niemand Hem te groot, te machtig, te wijs, te heilig is, al is het de keizer, de paus, de Turk en de duivel er bij....
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 februari 1959
Daniel | 8 Pagina's