Vaderlandse Geschiedenis
In ons laatste artikel Vad. Gesch. (12e jaarg. no. 18) gaven wij als inleiding tot de behandeling van de Gouden eeuw een Algemeen Overzicht en wezen onder punt 4 daarvan op de vele vreemdelingen, die hier een wijkplaats vonden.
Zo waren er ook uit andere landen veel roomsen, die het hier dragelijker hadden, dan in eigen land.
Onder hen was ook de bekende wijsgeer Réné Descartes. Met hem begon een nieuwe richting in de filosophie, nl. het rationalisme, die de Openbaring (= de H.S.) liet steunen op het redelijk denken. Hij vormde een groot gevaar voor de Ned. Geref. Kerk, waar hij onder de predikanten aanhangers kreeg.
De bekende Utrechtse hoogleraar Voetius heeft hem fel bestreden.
De vraag kan gesteld worden: hoe is het mogelijk, dat zulke geesten in onze calvinistische gewesten konden werken en hun beginselen verbreiden.
Men wijst dan op een bepaling van de Unie van Utrecht „dat een iegelijk bij zijn godsdienst ongemoeid zal blijven, clat niemand naar zijn geloof onderzocht of daarom gestraft zal worden."
Rome dacht er wel een beetje anders over, maar de heren van Holland waren het met de tolerantie hartelijk eens. Gelijk we zien zullen.
Wij zullen nu gaan behandelen de handel, visserij, nijverheid, landbouw en veeteelt, kunst en wetenschap. Om daar-
na kortelijk de invloed van de kerk in ons volksleven na te gaan; te zien of zij toen geweest is een pilaar en vastigheid der Waarheid; deze heeft doen weerklinken in dat volksleven. Om ten slotte het huiselijk en maatschappelijk leven in een summa na te gaan.
II. Amsterdam in de Gouden Eeuw.
Maar voor alles dient dan op Amsterdam de aandacht gevestigd te worden, van welke stad Vondel zong: Aan d' Amstel en aan 't IJ, daar doet zich heerlijk ope, Zij, die als keizerin de kroon draagt van Europe; enz.
Amsterdam draagt namelijk een keizerskroon in haar wapen. Zij ontving dit recht van Keizer Maximiliaan van Oostenrijk, als blijk van dankbaarheid voor de geldelijke steun door hem van één van haar burgers ontvangen. Als wij Amsterdam eerst noemen, bedoelen wij niet de andere steden als Rotterdam enz. op de achtergrond te schuiven.
Neen, maar Vondel had toch gelijk: zij was op handelsgebied „de keizerin van Europa."
Om nog eens kortelijk de zaken weer te geven. In 1585 had Parma Antwerpen veroverd en wij hadden ons gehaast de Schelde te sluiten.
Antwerpen was een stapelmarkt, gelijk Brugge in de Middeleeuwen was geweest.
Tegen het eind der 15e eeuw, de tijd der ontdekkingsreizen was de wereldhandel daardoor uiteraard zeer toegenomen. Deze kon zich nu bedienen van de zeeën, wat veel voordelen bood. Er was geen overlading nodig; van lastige wegen, rivieren en tollen was geen sprake: wel van zeerovers.
De noord-nederlandse gewesten lagen uitermate gunstig voor die handel: juist in 't midden van West-Europa tussen Noord-en Zuid Europa. Men sprak van de Oostvaart (naar de Oostzee!) en de Westvaart; en dan was er de vaart naar de Indiën. De straatvaart ging naar de Midd. Zee. Uit de Oostzee-landen haalde men graan, hout, enz. en vervoerde dit naar de Zuid. Uit Z.-Europa haalde men zout, wijn en zuidvruchten, voor de noordelijke landen bestemd.
De schepen voeren dus nooit in ballast, d.w.z. hadden altijd lading in.
Amsterdam werd nu, na de sluiting van de Schelde, de stapelmarkt van de wereldhandel, waar de kooplui samenkwamen om de waren te bezichtigen en te keuren, die ze wensten in te staan.
Wij kunnen dus al van te voren de rekening opmaken: Amsterdam werd de korenschuur van Europa en de wereldmarkt voor de indische waren.
Haar bloei kwam uit in haar voortdurende groei en uitbreiding. Wij noemen enkele getallen. Van 1580 tot 1660, dus binnen een eeuw, steeg het getal inwoners van 15.000 tot 200.000! Voortdurend moest de stad, zoals men dat noemt, „uitgelegd" worden. Zo ontstonden de beroemde (en ook wel eens geurige en fleurige) Amsterdamse grachten in halfcirkel vorm, bij ieder Nederlander en veel vreemdelingen bekend. De koopmanshuizen langs die grachten spreken ons nog toe van een buitengemene welvaart.
De beurs werd aanvankelijk gehouden op de Nieuwe Brug en als het slecht weer was in — de Oude Kerk! Maar in 1611 bouwde de architect Hendrick de Keyser een afzonderlijk gebouw. Hij zette het over het Rokin: de schuiten konden er dan onderdoor naar de Dam varen.
In 1609 richtte Amsterdam een Wisselbank op. Het krioelde nl. ter stede van vreemde kooplui en ieder bracht zijn eigen soort geld mee. In die Wisselbank kon gewisseld worden, maar ook geld in bewaring gegeven.
Merkwaardig, dat er toen al een soort postchéque en girodienst was. Had een koopman een som op de Wisselbank staan, en moest hij aan iemand wat betalen, dan liet hij dit bedrag van zijn rekening overschrijven. Dit was gemakkelijker, want bankpapier was er toen nog niet; en zo was men bevrijd van het lastig uittellen!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 januari 1959
Daniel | 8 Pagina's