JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Zoeker naar een weg

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Zoeker naar een weg

4 minuten leestijd

De dichter staat nog steeds aan zee, alleen in verheven gedachten. Zijn ziel, van de zware ballast bevrijd, door een ontvreemden van het leven, hunkert naar het bestendige, dat van deze wereld niet is.

Waarom moet hij zo eenzaam toeven aan de rand van het leven? Omdat hij de nood der wereld ontvluchten wil door te verkeren in „der zaligen domein."

Maar in een droomwereld kan men niet leven.

O, waarom dan die herinnering, waarom geen geheel onterven en een niet meer weten? Wat kan ik hier doen? Als ik niet kan vergeten waar ik eenmaal leefde ga ik dolend om, om, zonder een dak, zonder een doel, geboren aan de droeve zijde van de vreemden dood, en ik werp mij uit der mensen nood altijd weer in mijnen droom terugverloren....

Er zal een terugval moeten komen. Uit de hoge verhevenheid zal de dichter tot de aarde moeten weerkeren. En dat kan voor hem een antwoord zijn:

Toen.... een antwoord toch? .... neen, een voorbijgaand mensch en zijn vluchtig avondgroeten langs mij henen; Tc zag hem na tot hij in donker was verdwenen, toch misschien zijn broeder aan der wereld grens? 't Was een visscher uit het oude dorp, daarginter waar de duinen lager worden, en hij ging bukkend onder wrakhout door de schemering, denkend aan de lange nooden van den winter.

Door de visser, zeulend aan het brandhout voor het vuur, wordt de dichter teruggetrokken naar het aardse bestaan. Er treedt een gevoel op van schuld, van weedom en berouw. Hij lijdt een nederlaag. Hij wou opldimmen tot hetgeen hij gaarne was, maar het gaat niet; hij moest anders zijn en blijven, maar het lukt niet. Onder leed gebukt, wankelt hij de visser achterna. Nu lokt de zee niet meer, ofschoon ze zingt. De avond is gevallen en het wordt koud.

En ik ga hem na, maar langzamer dan hij, bukkend onder leed, dat ik had moeten lijden — o, verzuimde smart — o, wroeging, waar de tijden

nu geen redding meer uit geven, en de zee zingt, maar lokt niet meer, en ik blijf aangewezen op dit klein bestek van weedom en berouw, en de winteravond valt, en door de kou wandel ik — en toch, ik voel, er is genezen in rampzaligheid

Is er dan een lichtpunt? Is er dan van genezing sprake? De dichter zegt het, maar het is een genezing, die we anders hadden gedacht. Het smachten naar een verhevene, het edele, het onzondige, het eeuwig-blijvende, zou een smachten moeten zijn naar de levende God. Het niet-kunnen-leven zoals we moeten zou ons bekend moeten maken met onze grote verdorvenheid, waarin we ons moedwillig hebben geworpen. Dan komt er schuld en weedom, maar van een andere soort als van de dichter. Dan wordt men de grote kloof gewaar tussen God onze Schepper en onszelf en die kloof kan van onze kant nooit meer worden overbrugd. De genezing zal alleen mogelijk zijn door het bloed van Christus.

Hoe wordt de dichter nu genezen? Welke troost schenJct hij zichzelf? Dat het heimwee naar het betere en bestendige hem het vermogen schenkt om dat smachten uit te kunnen zingen, en waarom, dat weet hij niet en hij zal er ook niet naar vragen:

er is genezen

in rampzaligheid, en, huivrend, weet ik weer hoe het heimwee, dat deze aarde houdt bevlogen, mij — waarom dan ook — het zingende vermogen schonk, en verder valt er niet te vragen, en ik keer tot het oud gehucht, dat daar ligt weggedoken, minder eenzaam toch, en zie, daar op het duin in de lage herberg waar de vissers zijn wordt de lamp nu voor den avond opgestoken

Het slot is dus: terug naar de mensenwereld, waardoor de eenzaamheid minder zal worden; terug naar het lichte, uit de duistere overpeinzingen. „Winteravondval" is uit de bundel „Voorbij de wegen". Een sprekende titel: wegen zijn er niet meer; de dichter kan het gestelde doel niet bereiken; de wegen houden op; hij verkeert in ballingschap. Een gedicht uit „Voorbij de wegen" heeft als titel „Ballingschap", waarin we horen:

Wind en water wijd en zijd houden dit eiland van verlangen vreemd en glinsterend gevangen binnen den tijd.

Het slot hiervan is:

En maan en zon en de wolken gaan daarover, en uit de regenbogen jubelt nog eindelozer logen — wij allen staan bleek, met oogen leeg, in dit vreemde spiegelbeeld geboren van een rijk, dat wij verloren achter den tijd.

INDEX.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 januari 1959

Daniel | 8 Pagina's

Zoeker naar een weg

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 januari 1959

Daniel | 8 Pagina's