Herleefd verleden
(Il)
De heuvel Nimrod
Terwijl de schepen met de Assyrische afgoden aan boord op Londen aanstevenden, was Layard in Mosoel achtergebleven. Voorlopig zou hij echter zijn opgravingen stop zetten en hij maakte zich eveneens gereed om naar het vaderland terug te keren. Voordat hij vertrok maakte hij nog eenmaal een rondgang door de uitgewoelde heuvel. In zijn boek „Ninevé en zijn resten" beschrijft hij deze laatste tocht. Laten wij samen deze rondgang eens met de archeoloog maken....
„Wij klimmen de heuvel op, maar nog steeds zien wij geen steen uit de grond steken; alleen een breed, vlak plateau, voor een deel met een weelderige gerstoogst bedekt en verder geel en verdroogd, zonder plantengroei, op een paar armoedige kameeldoornbosjes na. Hier en daar ziet men lage zwarte hopen, waar in het midden een dun rookwolkje uit opstijgt Dat zijn de tenten der Arabieren, waaromheen enige vrouwen rondkruipen die er erbarmelijk uitzien. Misschien kan men juist een of twee meisjes bovenop de heuvel zien aankomen. Ze stappen stevig en lopen rechtop met een waterkruik op de schouder of een bosje rijshout op het hoofd. Aan de zijkanten schijnen echter groepjes zonderlinge wezens uit de grond op te duiken, die er met hun wapperende haardos en alleen in een lichtgekleurd, wijd, kort hemd gekleed, nogal wild uitzien; enkelen maken rare bokkesprongen. Elk van hen draagt een mand, en zodra hij aan de rand van de ruïneheuvel komt, gooit hij die leeg, waarbij een wolk stof opdwarrelt. Dan holt hij weer dansend en schreeuwend zo hard als hij kan terug en zwaait de mand boven zijn hoofd heen en weer, om weer even plotseling in de diepte te verdwijnen als hij eerst tevoorschijn is gekomen. Dit zijn de arbeiders die het puin uit de ruïne wegruimen.
Nu zullen we een ruw in de aarde uitgehakte trap afgaan die naar een flinke loopgraaf leidt. We dalen ongeveer twintig voet en bevinden ons plotseling tussen een paar gevleugelde leeuwen met mensenhoofden, die een portaal vormen. In het onderaardse labyrint heerst onrust en verwarring. Arabieren rennen in alle richtingen rond; enkele dragen manden met aarde, andere brengen hun kameraden kruiken water. De Chaldeeën in hun gestreepte pakken en met hun vreemde puntmutsen op slaan hun houwelen in de taaie grond en maken bij elke slag een dichte wolk van fijn stof. Wij gaan, tussen de leeuwen door, de ruïnes van de hoofdzaal binnen. Aan beide kanten zien we gigantische gevleugelde figuren, sommige met adelaarskoppen, andere in mensengedaante, die mysterieuze symbolen in hun hand houden. Links is nog een portaal, dat ook door gevleugelde leeuwen wordt geflankeerd. Maar een van de twee is dwars voor de ingang gevallen, zodat we nauwelijks ruimte kunnen vinden om er onder door te kruipen. Boven dit portaal
zien we nog een gevleugelde figuur en twee platen met bas-reliëfs, maar die zijn zo ernstig beschadigd dat we niet goed meer kunnen zien wat ze voorstellen.
Verderop is geen spoor meer van een muur te bekennen, ofschoon de diepe greppel ook hier doorloopt. Ook de overkant van de zaal is verdwenen, en we zien alleen een hoge aarden wand. Bij nader onderzoek ontdekt men toch nog aanduidingen van metselwerk, weleer tegels van ongebakken leem, die nu natuurlijk allang weer de kleur van de omringende aarde hebben gekregen. De albasten platen, die er af gevallen waren, zijn weer op hun plaats gezet. Nu treden we binnen in een labyrint van kleine bas-reliëfs, die wagens, ruiters, veldslagen en belegeringen voorstellen. Misschien zijn er juist arbeiders bezig zo'n plaat voor het eerst overeind te zetten, en wij wachten, ongeduldig van nieuwsgierigheid, welke nieuwe belangrijke gebeurtenis in de Assyrische historie, welk onbekend gebruik of welke religieuze ceremonie dit bouwwerk zal onthullen.
Zodra we ongeveer honderd voet verder zijn gelopen, tussen deze hier en daar verspreid liggende resten van oude geschiedenis en cultuur, komen we aan een doorgang, gevormd door twee reusachtige gevleugelde stieren van gele kalksteen. De ene is nog heel, maar de andere is omgevallen en gebroken — het grote mensenhoofd ligt aan onze voeten. Wij gaan verder. We zien nog een gevleugelde gestalte, die een sierlijke bloem in de hand houdt, waarschijnlijk als offerande aan de gevleugelde stier bedoeld. Dichtbij deze figuur vinden we acht mooie bas-reliëfs. Daar is een koning op de jacht, triomferende over de leeuw en de wilde stier, en de belegering van een burcht waaraan een stormram te pas komt. We hebben nu het eind van de zaal bereikt, en zien een beeldhouwwerk van uitgelezen schoonheid voor ons; twee koningen die voor het embleem der hoogste godheid staan en van gevleugelde figuren vergezeld zijn; tussen hen in staat de heilige boom. Voor dit reliëf bevindt zich een stenen platform, waarop waarschijnlijk in oude tijden de troon van de Assyrische vorst heeft gestaan, als hij gevangen genomen vijanden of zijn hovelingen ontving.
Links is een vierde uitgang, door twee leeuwen geflankeerd. Wij gaan deze voorbij en bevinden ons dan aan de rand van een diepe geul, waar aan de noordzijde de machtige ruïne zich hoog boven ons verheft. Figuren van gevangenen, die als cijns verschillende voorwerpen, oorringen, armbanden en apen dragen, ziet men langs die muren in de omgeving van deze kloof en dichtbij de rand ervan liggen twee ontzaglijke stieren en twee gevleugelde figuren van meer dan veertien voet hoogte. Daar de kloof de ruïnes aan deze kant begrenst, moeten we naar de gele stieren terug lopen.
Zodra we door de ingang zijn gegaan clie tussen hen in ligt, komen we een vertrek binnen, dat omringd is door figuren met adelaarskoppen; aan de ene kant bevindt zich een poort die door twee priesters of godheden bewaakt wordt, en in het midden nog een portaal, waarbij twee gevleugelde stieren staan. Welke richting we nu ook mogen inslaan, steeds bevinden we ons weer in een andere kamer, en zonder kennis van het terrein zouden we stellig verdwalen.
Daar het opgehoopte puin meestal midden in de kamers is blijven liggen, bestaat het gehele complex der opgraving uit een groot aantal smalle gangen, waarvan de wanden aan de ene kant door albasten platen worden gevormd. Aan de andere kant wordt de ruimte in beslag genomen door een hoge aarden wal, waarin men hier en daar een gebroken vaas of een in glanzende kleuren geglazuurde baksteen half begraven kan zien liggen. Wij kunnen hier wel één tot twee uur ronddolen om alle beeldhouwwerken en inscripties te bekijken die we hier overal aantreffen. Hier zien we een groot aantal koningen met hun eunuchen en priesters, daar weer allerlei gevleugelde dieren, die pijnappels en religieuze emblemen dragen, en zich aan adoratie voor de mystieke boom schijnen over te geven.
Andere ingangen, eveneens door paren leeuwen en stieren gevormd, leiden weer naar andere kamers. Overal staan we weer voor nieuwe verrassingen. Vermoeid verlaten we tenslotte het onder puin bedolven bouwwerk door een greppel aan de andere kant dan waar we binnen zijn gekomen, en we staan op het kale plateau."
Layard, diep onder de indruk, voegt er aan toe:
„Tevergeefs zoeken we hier boven nog naar sporen van die wonderbaarlijke resten die we zo juist hebben gezien. Half en half zijn we geneigd te denken dat we gedroomd hebben, of dat iemand ons een oosters verhaal heeft verteld. Als later het gras weer over de ruïnes van dit Assyrisch paleis is gegroeid, zal misschien menigeen die dit leest, mij er van verdenken, dat ik van een visioen heb verteld."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 24 december 1958
Daniel | 8 Pagina's