Zending in Rhodesia
De metselaarswesp. — Dominee Frasers prediking verstoord
Jan van Woerden zit aan tafel te werken. Er is altijd wat te doen. Is het geen studie, dan is er zeker wel administratief werk van ds. Fraser.
Opeens komt er door het geopende raam een groot soort wesp naar binnen. Het dier vliegt onrustig door de kamer. Het komt al dichter en dichter bij de tafel. Eindelijk verdwijnt het onder het tafelblad. Wat moet dat beest toch hebben? Van Woerden laat het stil begaan.
Even later is het door het raam weer verdwenen, zonder tegen het glas aan te vliegen.
Na een minuut of vijf komt de wesp weer terug en vliegt ineens naar de onderkant van het tafelblad. Wat moet het daar toch?
Van Woerden staat op om te kijken wat het dier uitvoert. En nu ziet hij het. Tussen de pootjes heeft het diertje een klompje klei, dat tegen het hout van de tafel wordt aangedrukt. Een zoemend geluid wordt hoorbaar. Dat wordt veroorzaakt door het snelle heen en weer bewegen van de kaken over de natte klei, om de gewenste vorm te krijgen. Die kaken werken dus als cementtrillers.
De volgende dag was het bouwsel klaar. Het bestond uit een kokertje met deksel. In het kokertje lagen vijf verdoofde spinnen. Op één daarvan had de wesp een eitje gelegd.
Ds. Fraser, die een enorme kennis van biologie heeft, vertelde, dat het insect masonwasp (metselaarwesp) heet. Het leeft van spinnen, rupsen en andere insecten. Iedere insect wordt met zijn gifangel in een bepaalde zenuwknoop gestoken, zodat het insect niet sterft, maar lange tijd onder narcose blijft. Het larfje, dat uit het eitje komt in het kokertje, heeft dus wekenlang levend voedsel.
Over de enigste zendeling ds. Fraser hebben we al een en ander gehoord. Laten we hem nu zelf even aan het woord laten. Hij vertelde na afloop van de huisgodsdienstoefening met de zwarte jongens en meisjes van het zendingsstation het volgende:
„Enige tijd geleden hield ik een godsdienstoefening bij een van de goudmijnen in Zuid-Rhodesia. Ik had hier reeds meerdere malen diensten gehouden. Het was echter altijd erg moeilijk om de mensen daar bij elkaar te krijgen in nuchtere toestand, daar zij meestal dronken waren. Het aantal toehoorders varieerde ook zeer. Soms waren er maar vier of vijf, die de dienst bijwoonden. Deze keer waren er evenwel ongeveer vijftig.
De dienst werd gehouden in het negerdorp in de open lucht. De zwarten zaten om mij heen op de grond. Juist toen ik zou aanvangen en alles rustig was, kwam een inboorling langzaam op ons toelopen en zette zich achter de toehoorders neer. Het was onaangenaam te zien, dat hij een dolk bedachtzaam in zijn handen hield. Het staal glinsterde in de zon. De mensen werden onrustig en begonnen achterom te kijken. Het was kennelijk, dat hij kwaad in de zin had. Zo kon ik niet beginnen. Ik wenkte de woestuitziende man en nodigde hem om bij mij te komen zitten, in de hoop, dat de mensen dan rustig zouden blijven. Hij gaf aan mijn uitnodiging gehoor en zette zich vlak voor mij op de grond neer, de dolk nog steeds dreigend in de handen. Toch konden we rustig aanvangen met het zingen van een psalmvers. Toen ik mijn ogen sloot voor het openingsgebed, werd ik gealarmeerd door het zachte geluid van het scherpen van de dolk op de palm van de man zijn hand. Het angstzweet brak mij uit. Ik kon mijn ogen nauwelijks gesloten houden en doorgaan met het gebed. In een aanval van ongeloof vreesde ik, dat ieder ogenblik het scherpe staal in mijn borst gestoten zou worden. Mijn gebed was maar zeer kort.
Voordat ik een Schriftgedeelte kon lezen, werden de mensen weer onrustig door de dreigende houding van deze
woesteling. Ik beval hem nu mij zijn wapen te geven, waaraan hij tot mijn verbazing voldeed.
Ik legde de dolk op de grond en mijn voet er bewakend op. Alles scheen nu gereed voor de dienst. Ik had evenwel nog maar enkele woorden gesproken, of twee honden begonnen een verwoed gevecht vlak voor mijn voeten. Van preken was geen sprake. Het was bijna niet mogelijk de honden van elkaar te scheiden. Ze gingen vreselijk te keer.
Toen dit eindelijk gelukt was, verstoorde een nieuw voorval de samenkomst. Een afgrijselijk gegil werd gehoord in een van de nabije hutten. Een vrouw vloog krijsend naar buiten, gevolgd door een man met een knuppel in zijn hand. De vrouw rende naar mij toe om bescherming te zoeken. De man haalde haar echter in en een hevig gevecht ontstond tussen de man en de vrouw te midden van de toehoorders.
Na de vechtenden gescheiden te hebben, probeerde ik nogmaals mijn gedachten bij elkaar te zamelen en enkele woorden te spreken. Tot mijn grote ontsteltenis werd ik opnieuw gestoord. Ditmaal door een haan, die tussen mij en de toehoorders in ging staan en uit alle macht begon te kraaien. Dit was bijna nog merkwaardiger dan de vorige drie voorvallen, daar dit zo onnatuurlijk was. Van wegjagen was geen sprake. De haan ging slechts enkele stappen op zij en kraaide onophoudelijk. Na veel moeite kon het dier gevangen worden en verwijderd. Hoewel het nu stil was, was ik toch niet meer in staat om te spreken. Na enkele stamelende woorden sloot ik de dienst."
We zouden zeggen, dat dit een mislukte dienst was. En toch.. later kwamen vier personen naar ds. Fraser om nader kemiis te nemen van de Heilige Schrift.
De duivel is bevreesd, dat zondaars door het horen van het evangelie uit zijn klauwen zullen worden gerukt. Daarom zal hij alles in het werk stellen om de loop van het Woord Gods te stuiten. Maar de Heere zal, hoe groot de tegenstand ook is, Zijn Woord brengen, waar Hij het hebben wil en het zal doen wat Hem behaagt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 december 1958
Daniel | 8 Pagina's