JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

De val des mensen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De val des mensen

5 minuten leestijd

DE VIJANDEN GODS 4)

Satan, de gevallen grootvorst, wiens heiligheid in onheiligheid omgeslagen was, en die de waarheid voor leugen verwisselde, heeft grote kracht.

Die kracht ontving hij niet n a zijn val, maar ze was hem ingeschapen vanaf Zijn ontstaan. Doch, toen de zonde door hem bedreven werd, wendde hij diezelfde kracht aan om van toen af God tegen te staan. Na zijn val krijgt hij dan ook de naam van Satan, d.i. wederpartijder. Heel zijn doen en doel is niet anders dan het werk Gods tegen te staan en af te breken.

Om dat te bereiken was Satan wel aangewezen op de mensenwereld. Immers onder de engelen kon hij geen kwaad meer doen. Toen alle engelen voor de keus stonden om vóór of tegen God te kiezen, heeft Satan met zijn duizenden tegen God gekozen, maar hebben Michaël en Gabriël met hun vele duizen-den vóór God gekozen. In die keus zijn zij door God vastgemaakt. Zij worden de uitverkoren engelen genaamd, omdat zij staande zijn gebleven. Van toen af echter konden die heilige troongeesten, die zich tegen Satan richtten, en aan God gehoorzaam bleven, niet meer vallen.

Zodra Satan uit de hemel gestoten werd, was die hemel voor hem, maar ook voor zijn invloeden gesloten; nimmer zou hij meer één engel tot het kwaad kunnen opleiden.

Dus bleef voor hem slechts over het terrein der aarde, waarop de mens door God gesteld was geworden. Ook de mens leefde onder een proefgebod; hij behoefde niet te vallen, maar kon wel vallen; de mogelijkheid om hem te verleiden, bestond dus nog. En Satan, dat wetende, heeft er een gretig gebruik van gemaakt; hij is tot de mens gekomen, en heeft hem de leugen opgedrongen; de hoogmoed, waaraan hij zelf ten prooi viel, trachtte hij ook bij de mens te wekken, door Zijn voorstelling: „Gij zult als God wezen!"

Uit het geschiedverhaal in Gods Woord weten we maar al te wel, hoe deze boze toeleg gelukt is, en hoe de eerste mensen, en wij met hen, de Satan zijn toegevallen en daarmee van God zijn afgevallen. Wij hebben de leugen liever gehad en eerder geloofd dan de waarheid; wij hebben Satan gehoor geschonken boven de goeddoende, waarachtige God en zijn toen, in plaats van aan God gelijk te worden, de slaven van de verleider geworden, wiens doel geen ander is, dan heel het mensdom van God af te trekken en in de modder der zonde te doen verzinken.

Wat is de zondaar in het Paradijs bedrogen uitgekomen!

Hij wilde zijn eigen heer en meester zijn, en verwierp daarom de heerschappij van het Eeuwige Wezen. Hij dacht vrij te zullen zijn, maar de teleurstellende uitkomst was, dat hij nu eerst recht zijn vrijheid kwijt was. Zó viel de mens van God af, of dadelijk bevond hij zich in Satans macht, d.w.z. onder zijn heerschappij en geweld. Zo had hij nu tóch een heer en meester over zich; maar welk een meester? O, als ge dat in-

denkt, wat het is, God niet als zijn Heere te willen hebben en dan zonder het te weten onder Satan als zijn heer terecht te komen, is dat niet iets vreselijks? Onder de Satan, die geen liefde kent, nooit van barmhartigheid weet, die harder dan het hardste is en zich door geen tranen laat verbidden!

Met de mens viel heel de wereld de Satan toe. Want God had aan de mens de aarde met al wat er in en op is, gegeven om haar tot Gods verheerlijking te doen bloeien. Maar zie, nu neemt Satan van heel die wereld bezit. Met de zonde der leugen vergiftigt hij heel de schepping; tot op zekere hoogte handelt hij met de wereld gelijk hij wil.

Van zijn heerschappij over de wereld is Satan zelf zó overtuigd, dat hij in de strijd tegen Jezus in de woestijn, Hem op een berg leidt, Hem al de koninkrijken der wereld toont, en dan zeggen durft: „Al die koninkrijken zijn m ij n e, en ik geef ze U, zo Gij, nedervallende, mij zult aanbidden!"

In zekere zin is dat ook zo. Wel kon de leugenaar niet nalaten om ook tegenover de Christus nog een leugen te gebruiken door te zeggen: Zij — die macht over die koninkrijken! — is mij overg e g e v e n!" Neen, de heerlijkheid der koninkrijken was niet aan de Satan overgegeven, maar hij heeft ze gestolen. Niettemin werd hij toch de overste der wereld; zo toch noemt de Heere Jezus hem zelf. (Joh. 12 : 31; 14 : 30; 16 : 11). En als zodanig heeft hij alle schepselen der wereld tot vijanden Gods gemaakt.

't Is niet alleen dit kwaad, dat roept [om straf; Neen, 'k ben in ongerechtigheid [geboren; Mijn zonde maakt mij 't voorwerp [van Uw toren, Reeds van het uur van mijn ont-[vangnis af.

Ik heb gedaan, wat kwaad was in [Uw oog; Dies ben ik, HEER', Uw gramschap [dubbel waardig; 'k Erken mijn schuld, die U tot straf [bewoog; Uw doen is rein, Uw vonnis gans [rechtvaardig.

(Psalm 51 : 3a en 2b, berijmd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 december 1958

Daniel | 8 Pagina's

De val des mensen

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 december 1958

Daniel | 8 Pagina's