JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Lofzang van Maria

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Lofzang van Maria

6 minuten leestijd

En Maria zeide: Mijn ziel maakt groot de Heere." (Lukas 1 : 46)

Weldra hebben wij weer het Kerstfeest. Om dat feest te vieren, is het noodzakelijk een onderzoek in te stellen, op welke wijze wij dc.t v illen doer

Wij zoeken dat van nature in uiterlijkheden. Er zijn talloze mensen, die de naam van „Christen" willen dragen en zo door en door ón-christelijk zijn op Christus' geboortefeest omdat van hen gezegd kan worden, dat zij geheel opgaan in het feest, maar wat geen waarlijk feest is, want waarlijk Kerstfeest vieren is iets te mogen ervaren van Christus. En dat is en blijft vrije, souvereine genade.

Maria mocht dat uit vrije gunst ervaren. Zij mocht zingen: „Mijn ziel maakt groot de Heere, en mijn geest verheugt zich in God, mijn Zaligmaker." Neen, Maria begint niet met zichzelf, maar met God en Christus.

Toen Simson eenmaal te Lechi zijn overwinningslied zong, zeide hij: „Met een ezelskinnebakken een hoop, twee hopen, met een ezelskinnebakken heb ik duizend man geslagen." Simson stelde alzo het strijdwapen en zichzelf op de voorgrond.

Maar niet alzo Maria. Zij heeft een open oog voor Gods genade in Christus. Is dat ook onze verzuchting voor Kerstfeest? Dan is er geen vraag naar en behoefte aan een Kerstboom maar naar het ware Kerstwonder in Christus. God heeft Zichzelf een weg gebaand om het licht Zijns Heils te kunnen doen lichten. Dit is het vrijmachtig Godswerk tot verheerlijking van Zijn deugden. Maria is slechts instrument. Onwillekeurig gaan wij nu met onze gedachten naar het eerste mensenpaar in het paradijs. Wie is het eerst jn overtreding gekomen? Niet O O de man, maar de vrouw. Eva heeft eerst van de verboden boom gegeten en daarna Adam. Maar zie nu de grote genade Gods. De vrouw, die het eerst in overtreding is gekomen, zal ook de draag-ster zijn van het Leven.

De vrouw zal Hem het levenslicht doen aanschouwen, die van eeuwigheid borg geworden is voor Zijn kerk; die toch als de tweede Adam zal verwinnen, wat cle eerste Adam verloren heeft. Maria was moeder niet slechts van een kind Gods,

En nu zingt Maria: „Mijne ziel maakt groot de Heere." Het is de toon van eigen onwaardigheid en waarachtige ootmoed. Neen, zij verheft zich niet op de voorrechten haar geschonken, maar zij komt uit de diepte op. Geve de Heere dat wij ook uit de diepte mogen zuchten om de Heere groot te maken.

Wat is het een vrijmachtig wonder dat Maria mag zingen tot eer van Gods recht; dat God naar haar, geringe maagd, heeft willen omzien en haar tot zulk een eer heeft willen verkiezen. Het is voor haar een wonder, dat zij niet vatten kan. Wat de Heere voor haar is, dat is de inhoud van haar lofzang. Arme Roomsen, die toch leren dat Maria tot koningin des hemels is verbeven en als zodanig moet worden aangebeden. Neen, zij geeft geen eer aan de moeder des Heeren. Want zij wijst zulk een verheffing met beslistheid af. Zij maakt groot de Heere. En wij? Van nature zijn wij niet beter dan de Roomsen. Van nature zijn wij toch, ook al werden wij onder de waarheid geboren, zonder God in de wereld, vervreemd van de verbonden der belofte, geen hoop hebbende, verduisterd in ons verstand en vervreemd van het leven dat uit God is. Wij verstaan niets van het ware Kerstfeest. Wij verstaan niets van de ware lofzang tot Gods eer. Wat zal het toch wezen, wanneer de mens straks voor God moet verschijnen, voor die God, Die geen afstand van zijn recht zal doen. In het paradijs mocht de mens lofzangen Gods zingen, maar door de val zijn wij daartoe gans onbekwaam geworden.

Vrienden, er moet een Godsdaad in ons leven plaats hebben, om met Maria Gods eer te mogen groot maken. Dat het op Kerstfeest 1958 toch eens worden mag eigen schuld, dat wij geen lofzang tot Gods eer kunnen zingen. Vanwege onze diepe val, geven wij God de schuld.

Het moet eigen schuld worden in ons leven. Er zal een tijd komen, dat de schellen van de ogen zullen vallen. Het is zo erg om verloren te gaan, en dat temeer, omdat het niet ongewaarschuwd is. En nu is het nog de dag der zaligheid.

Hoort gij duistere en bestreden zielen! hoe komt het dat het geloofslicht zo schaars is? Gij hebt het ervaren in uw leven, dat gij de Heere mocht groot maken. Nu is het zuchten: „Mijn weg is voor de Heere verborgen en mijn recht gaat van mijn God voorbij." Eerst zingen, nu zwijgen. Zeker, gij kunt U niet zingende maken, het is vrije souvereine genade. Het kan soms lang duren, maar op Gods tijd zal de Heere zangstof geven. Wij lezen nog iets van een vrouw in de Kerstweken. Anna die oude vrouw van vier en tachtig jaar. Wat een éénzijdig wonder Gods, toen het haar geschonken werd. Wanhoopt toch niet, bestreden en duistere zielen, het gaat wel door het onmogelijke heen, maar de Heere is de getrouwe. Kinderen van God, vergeten wij het niet: lof betaamt de oprechte. Laat het Kerstfeest niet stil zijn. Verwaardige God ons, om Hem te loven. De wereld heeft er geen behoefte aan. Wij kunnen het niet maken en nemen, het blijft een vrije gunst. Juist omdat het een vrije gunst is, kan de Heere het geven om te zingen tot Gods eer te midden van al de ellende van dit leven. Het zal een eeuwig wonder zijn. Het zal enkel wezen omdat God het wil.

Als wij dat gaan inleven, dan wordt de aanbidding op Kerstfeest geboren.

Dan wordt Kerstfeest het wonder der wonderen. Dan schreeuwt onze ziel naar de levende God. Verstaan wij daar iets van, wat het zegt tot Gods eer te zingen met Maria, dan hebben wij geen muziek of licht van een Kerstboom van node, maar dan gaan onze gedachten naar Bethlehem en horen wij: „Dat U heden geboren is de Zaligmaker, welke is Christus de Heere."

„AIs ik dit wonder vatten wil, Staat mijn verstand vol eerbied stil, 't Verstomt bij 't geen het niet [doorziet, 'k Aanbid maar ik doorgrond het niet'

Het Kerstfeest 1958 is komende. Als wij dat vieren in het licht van de geboren Koning, dan is het een wenen over de zonde, maar ook zingen met Maria van het heil van Jezus. De toon van de vreugde zal het winnen van de jammerklacht van de schuld, omdat genade het wint van de zonde.

En het allerlaatste woord, het is de zang van de Kerstnacht, overgenomen door engelen en gezaligden saam: „Ere zij God in de hoogste hemelen en vrede op aarde, in de mensen een welbehagen."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 december 1958

Daniel | 8 Pagina's

Lofzang van Maria

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 december 1958

Daniel | 8 Pagina's