Luiher en de Bijbelvertaling
(3).
Uitgave van het Nieuwe Testament
In februari 1522 stuurde Luther een gedeelte van zijn werk naar Wittenberg, opdat Melanchton er kennis van zou nemen. Deze was er zeer mee ingenomen. Hij hoopt, dat de veelgeplaagde auteur van zijn werk een beetje plezier zal ondervinden.
In maart kwam Luther zelf van de Wartburg met de rest van de copie. Direct begon hij midden in de spanning van het fel bewogen Wittenberg met Melanchton zijn hele vertaling nog eens door te nemen. In het Grieks was laatstgenoemde n.l. erg bedreven. „Melanchton en ik zijn begonnen, alles bij te vijlen en als God het wil, zal het een waardig werk worden, " schrijft hij aan Spalatinus, de hofprediker. „Om de juiste uitdrukkingen te vinden, " gaat Luther verder, „zullen we ook jouw hulp niet kunnen ontberen. Ik hoop, dat je daartoe bereid bent, maar zo, dat je ons eenvoudige woorden aan de hand doet en niet het soort, dat men in kastelen en aan hoven gebruikt. En om maar direct te beginnen, zie eens, of je voor ons aan het hof of elders de namen en kleuren van de edelstenen uit Openbaringen 21 te weten kunt komen. Inderdaad kreeg Spalatinus het gedaan, dat een collectie kroonjuwelen aan Luther getoond werd. Ook Melanchton vraagt Spalatinus' raad. Hoe moeten de in de Evangeliën voorkomende munten vertaald worden? Weet Spalatinus iets van de waarde van deze geldstukken? Melanchton kreeg van hem het adres van een dokter in Erfurt, die zich met numismatiek bezig hield. Ook in Wittenberg kwamen enkele oude munten te voorschijn. Luther was er n.l. zeer op gesteld, dat voor de Bijbelse munten de namen van bekende Duitse geldstukken van ongeveer gelijke waarde gebruikt zouden worden. „Wie niet kan schatten, welke waarde een talent heeft, kan zich niet indenken, welk een last werd afgenomen van de man aan wie tienduizend talenten kwijtgescholden werden. De gelijkenis van de vrouw, die haar drachme terugvond, spreekt alleen tot hem, die het geldstuk voor zich ziet."
Zo doet hij ook met de Bijbelse maten en gewichten, en hij gebruikt eveneens rustig de namen van in Duitsland bekende planten en bomen. Niet anders is het met woorden als sanhedrin, procurator, centurio, die hij vertaalt met Hoge Raad, stadhouder en hoofdman. Ook burgemeester en kanselier komen in zijn overzetting voor.
Een maand was men zo met het „bijvijlen" bezig; begin mei ging het manuscript naar de drukkerij van Melchior Lotther. Daar werd met drie persen bijzonder vlug gewerkt. Op 25 september kon Luther reeds het eerste volledige Nieuwe Testament toesturen aan Hans von Berlepsch, de slotvoogd van de Wartburg. Deze eerste uitgave wordt genoemd „Septemberbibel."
De frontpagina bevat niet anders dan de titel: „Das Newe Testament „Deutzsch" en de plaats van verschijning „Vuittenberg". De naam van de vertaler komt in het geheel niet voor. De Openbaring werd verlucht met 21 prenten over de volle pagina. Hierin heeft Luther zich aangesloten bij de traditie. De Vulgaat van vóór de Reformatie voorzag ook het laatste Bijbelboek rijk van prenten. Dit komt, doordat de laat-middeleeuwse vroomheid allerlei groepen kende, die de ondergang der wereld spoedig verwachtten, of van een vernieuwing dier wereld door vreselijke oordelen Gods droomden. Luther hield hierin dus aan de traditie vast.
Ook komt in die platen duidelijk uit Luthers strijd met Rome. Hij zag de paus als de vleeswording van de antichrist. Verschrikkelijk scherpe dingen heeft hij hierover gezegd. Op de tekening nu van de grote hoer en de grote draak ziet men duidelijk, dat de vrouw en het dier de pauselijke kroon dragen. Het beest uit de afgrond heeft een monnikspij aan. Het gevallen Babel toont het silhouet van Rome, men kan het Pantheon en andere gebouwen goed zien. In de uitgave van 1530 plaatste Luther zelfs een aantekening: met de kikvorsen, die uit de muil van de draak kropen, werden zijn tegenstanders Faber, Eek en Emser bedoeldl Dit alles gaf zoveel ergernis, dat keurvorst Frederik de Wijze opdracht gaf, de pauselijke kroon van de platen te verwijderen. In de tweede uitgave van het Nieuwe Testament zijn de tiara's
van de houtblokken (het waren houtsneden) weggesneden; men kan nog duidelijk op de afdruk zien, waar ze gezeten hebben. De vrouw draagt nu een onschuldige kroon. Maar toen in 1534 de complete Bijbel in het Duits verscheen — de keurvorst was toen overleden — liet Luther nieuwe houtsneden maken, waarop de tiara's nog scherper uitkomen dan in de eerste druk.
Opmerking verdient nog, dat de tekst van een groot aantal kanttekeningen voorzien werd. Ze zijn meestal van archeologische of chronologische aard, of ze geven een toepassing van de tekst op de lezer of een verklaring van een bepaalde uitdrukking.
Een indeling in verzen bestond nog niet, wel in hoofdstukken. Luther verdeelt deze hoofdstukken in paragrafen. Deze indeling is goed doordacht en een hulp bij het verstaan van de stof, die dooide huidige verdeling in verzen wel eens verbrokkeld wordt.
De mdruk, die de septemberbibel maakte tot in de wijde omtrek, is bijzonder groot geweest. De prijs bedroeg, ofschoon Luther er als gewoonlijk, geen cent aan verdiende, niet minder dan een halve gulden, voor die tijd een behoorlijk bedrag. Niettegenstaande dat was de oplage, die waarschijnlijk 3000 exemplaren bedroeg, binnen enkele maanden uitverkocht. Daaruit blijkt wel, hoe verlangend velen waren om de Bijbel te lezen.
Intussen was men in Wittenberg reeds bezig met de tweede druk, die in december van de pers kwam, tot Luthers spijt zonder kaart van Palestina, die hij er zo graag in gezien had; Melanchton kon in Leipzig blijkbaar geen goed ontwerp daarvoor vinden. In deze druk zijn niet minder dan 500 correcties aangebracht, voor een deel van drukfouten, maar ook verbeteringen in woordkens en stijl. Dat ging in de daarop volgende uitgaven zo door. In de uitgave van 1530 is de tekst geheel herzien. Tussen 1522 en 1546, Luthers sterfjaar, verschenen alleen in Wittenberg reeds 22 afzonderlijke uitgaven van zijn Nieuwe Testamenten buiten deze stad meer dan 100. Het is moeilijk, om de totale oplage daarvan te schatten, maar ze beloopt zeker enkele honderdduizenden. Dit is in de geschiedenis van de vroege boekdrukkunst iets ongehoords. Het was het Boek, waarop de wereld wachtte.
Luther voorzag zijn Nieuwe Testament van een voorrede. Het zou interessant zijn, deze geheel op te nemen, doch daarvoor is uiteraard geen plaats genoeg. Alleen het slot willen we overnemen: Ja, waar het geloof is, kan het niet verborgen blijven, het moet zich openbaren, het breekt naar buiten, belijdt en leert dit Evangelie voor de mensen, de gelovige waagt daarvoor zelfs zijn leven. En bij alles wat hij leeft en werkt, heeft hij het heil van zijn naaste op het oog. Het is hem er om te doen, de naaste te helpen, niet alleen om hem tot diezelfde genade te doen komen, maar ook om hem behulpzaam te zijn in lichamelijk opzicht, in zijn werk en bezit en zijn goede naam. Want de gelovige ziet, dat Christus dit alles voor hem gedaan heeft en hij volgt daarin het voorbeeld van Christus na. Dat bedoelt Christus ook, wanneer Hij bij Zijn afscheid geen ander gebod geeft, dan de liefde, waaraan men herkennen zal, wie zijn jongeren en ware gelovige zijn. Want waar de werken en de liefde niet te voorschijn komen, daar is het geloof niet echt, daar heeft het Evangelie nog geen vaste voet verkregen, daar wordt Christus nog niet werkelijk gekend. Welnu, zet u zo tot het lezen van de boeken van het Nieuwe Testament, dat ge ze op deze wijze leert verstaan."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 december 1958
Daniel | 8 Pagina's