Herleefd verleden
(9)
De heuvel Nimrod
Zoals wij de vorige maal zagen, was Layard na de val van de pasja van Mosel weer met zijn opgravingswerkzaamheden begonnen. Weldra haalden d< 4 Arabische arbeiders nieuwe schatten uit de heuvel Nimrod. Op twee plaatsen werd er gegraven en het duurde niet lang, of opgewonden arbeiders kwamen schreeuwend naar Layard toe om hem te halen.
„God is groot en Mohammed is zijn Profeet! Nimrod hebben wij gevonden. Nimrod zelf!" De opgewondenheid van de arbeiders kende geen grenzen.
Zo spoedig mogelijk spoedde Layard zich naar de noord-westzijde van de heuvel. Nee, dat kon niet De archeoloog geloofde zijn arbeiders niet. Maar toen hij op de plaats aankwam, zag hij, dat zij de waarheid hadden gesproken. Hij kon zijn ogen niet geloven. Daar voor hem lag een reusachtig beeldhouwwerk. Het was een geweldig groot menselijk hoofd van een gevleugelde leeuw, geheel uit albast uitgehouwen. De uitdrukking van het gelaat was majestueus, in een woord, het was een meesterstuk van beeldhouwwerk. Later schreef Layard: (Goden, Graven en Geleerden van C. W. Ceram).
„Uren lang bekeek ik die geheimzinnige zinnebeelden, peinzend over hun betekenis en hun historie. Had het volk wel edeler vormen in de tempel van zijn goden kunnen aanbrengen? Hoe zouden mensen zonder hulp van de geopenbaarde religie verhevener beelden aan de natuur ontleend kunnen hebben om hun begrippen van wijsheid, macht en alomtegenwoordigheid te belichamen? Voor verstand en inzicht konden ze geen beter symbool nemen dan het hoofd van de mens, voor kracht het lichaam van de leeuw; voor alomtegenwoordigheid de vleugels van de vogel. Deze gevleugelde leeuwen met mensenhoofden waren geen zinledige scheppingen, niet uitsluitend producten van de fantasie; wat ze moesten betekenen stond erop geschreven. Ze hadden van geslacht tot geslacht de mensen van drieduizend jaar geleden met eerbied vervuld en tot lering gestrekt.
Door de portalen die zij bewaakten, hadden koningen, priesters en krijgslieden offeranden naar hun altaren opgedragen, heel lang geleden, nog voordat de wijsheid van het morgenland tot de Grieken was doorgedrongen en zij hun mythologie hadden verrijkt met zinnebeelden, clie de Assyrische ingewijden reeds lang bekend waren geweest. Waarschijnlijk waren ze reeds voor de stichting van cle Eeuwige Stad begraven, zodat niemand meer iets van hun bestaan afwist. Sinds vijf en twintig eeuwen waren ze voor het oog van de mens verborgen en nu stonden ze nog eenmaal op in al hun majesteit van weleer. Hoezeer is echter het toneel om hen heen veranderd. De weelde en de beschaving van een machtige natie had plaats gemaakt voor de armoede en de onwetendheid van een paar half barbaarse stammen. Op de pracht der tempels en de rijkdom der grote steden waren mines en wanstaltige aardhopen gevolgd. Boven de ruime zaal waar ze stonden, had de ploeg haar voren getrokken en het koren in de wind gegolfd.
Egypte bezit geen minder prachtige monumenten, maar die stonden eeuwen lang vrijuit te getuigen van vroegere macht en hun roem, terwijl de gedenktekenen die ik hier zag, zo juist waren verschenen om het woord van de profeet waar te maken, dat Eens Assur was als de ceder op de Libanon, met schone takken en zwaar van loof en zeer hoog en dat zijn top hoog oprees onder grote, dikke takken "
De profetie van Zefanja is letterlijk vervuld. (Zefanja 2 vers 13 tot 15):
Hij zal ook Zijne hand uitstrekken tegen het Noorden, en Hij zal Assur verdoen, en Hij zal Ninevé stellen tot ene verwoesting, droog als een woestijn.
En in het midden van haar zullen de kudden legeren, al het gedierte der volken; ook de roerdomp, ook de nachtuil zullen op hare granaatappelen vernachten; ene stem zal in het venster zingen, verwoesting zal in de dorpel zijn, als Hij haar cederwerk zal ontbloot hebben.
Dit is die stad, clie opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! een ieder, die daar doortrekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen."
Aldoor leefde Layard in de geest van Nimrod, „die een groot jager was voor het aangezicht des Heeren", maar lateiis men tot cle ontdekking gekomen, dat het enorme beeldhouwwerk één van de Assyrische stergoden van de vier windstreken was, n.1. Nergal, als gevleugelde leeiüw. De andere drie afgoden zijn: Mardoek, als gevleugelde stier, Nebo, als mens en Ninoerta, als adelaar. In een volgend artikel willen wij het verder verloop van de opgravingen vertellen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 november 1958
Daniel | 8 Pagina's