Herleefd verleden
(6)
Pompeji en Herculaneum 1
Pompeji en Herculaneum, twee heidense steden, die eeuwen geleden uitblonken in goddeloosheid. De eerst genoemde plaats had naar alle waarschijnlijkheid eenmaal twintigduizend inwoners. Deze kleine stad had een amphitheater, dat plaats bood aan twintigduizend toeschouwers. Verder was er nog het Grote Theater, dat 5000 mensen kon bergen, terwijl er nog een klein theater was met 1500 plaatsen. De nu opgegraven ruïnes van deze bouwwerken bewijzen toch wel, hoe deze mensen hebben geleefd. Brood en spelen, daar was het de bevolking van het stadje om te doen. God heeft echter gesproken en heeft Pompeji en ook Herculaneum bedolven onder de lava, het vloeibare uitstromende gesteente uit het binnenste van de vulkaan de Vesuvius.
De Vesuvius is door de eeuwen heen een werkende vulkaan geweest en zelfs nu werkt zij nog dikwijls. Ook in augustus van het jaar 79 n. Chr. steeg de rook op uit de krater van de Vesuvius en vertoonde zij de eerste tekenen van een uitbarsting.
Niemand kon echter vermoeden, dat dit het einde zou betekenen van twee steden in de nabijheid van de vuurspuwende berg. Ook de bewoners niet.
In de morgen van de 24 augustus begon de vreselijke natuurramp. Plotseling spleet met een enorme slag de top van de berg. Een grote rookzuil steeg op en onder een geweldig geraas regende het stenen en as. De zon werd er door verduisterd. Mjens en dier zocht een goed heenkomen. En daar kwam het water, wild en bruisend, het spoelde en golfde door de straten.
In Herculaneum drong een modderlawine binnen en in minder dan geen tijd rees de lava tot boven de daken en wie niet ijlings vluchtte, was reddeloos verloren. Vele duizenden kwamen echter om het leven, stikten in de modderbrij van as, regen en lava. Herculaneum was verdwenen van de aardbodem. Het bedrijvige leven in de stad was voor altijd verstild....
In Pompeji kwam geen modderlawine, maar hier begon een lichte asregen neer te dalen. Maar niet lang daarna kwam er lapilli bij (dit zijn kleine vulkanische steentjes). Nog beseften de arme bewoners het gevaar niet. Toen begonnen er grote stukken puimsteen te vallen.
Nu was het echter te laat om te vluchten. Zwaveldampen drongen de huizen binnen, waardoor de mensen bijna geen adem meer konden halen. Naar buiten konden zij niet meer, want dan werden zij verpletterd door de steenklompen, die regelmatig neervielen. De daken van de huizen begonnen te bezwijken, zij konden het gewicht van de zware stenen niet meer dragen. Velen werden door het puin bedolven.
Nieuwe zwaveldampen drongen door en wie nog geen veilige schuilplaats had kunnen vinden, stikten in de vergiftige dampen.
Eindelijk hield de regen van stenen op
en vier en twintig uur na de uitbarsting scheen de zon weer, maar Pompeji was geheel bedolven. De stad had opgehouden te bestaan. Achttien kilometer in de omtrek was alles vernield en bedolven. Zelfs tot in Afrika, Syrië en Egypte waren de asdeeltjes gevlogen. De Vesuvius had haar slachtoffers gemaakt, slechts een dunne sliert rook steeg op uit de krater. Alles werd weer normaal, maar voor duizenden mensen is het op het alleronverwachte eeuwigheid geworden.
Vreselijk om zo te vallen in de handen van een levend God. Plet is deze steden gegaan als eertijds Sodom en Gomorra.
Pompeji en Herculaenum zijn door opgravers weer aan de vergetelheid ontrukt, maar daarvoor willen wij u de volgende maal D.V. iets vertellen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 oktober 1958
Daniel | 8 Pagina's