Gisberius Voetius
(L.)
Zagen we in Willem Teellinck de voorloper van het Gereformeerde Piëtisme, Gisbertus Voetius moet als de geestelijke vader van deze beweging worden beschouwd. Als we strikt chronologisch te werk zouden gaan, dan moesten Brakel (Senior), Van Lodenstein en anderen wellicht eerder aan de beurt komen, maar, omdat de Nadere Reformatie eigenlijk ondenkbaar is zonder Voetius, geven we deze veelzijdige figuur de voorrang.
Voetius steekt boven zijn tijdgenoten en geestverwanten uit; wat de praktijk betreft, was hij „eensgeestes" met mannen als Brakel, Lodenstein, Koelman enz., maar wetenschappelijk gezien was hij hun meerdere. Groot taalgeleerde, dogmaticus, polemicus; hoogleraar, predikant, catecheet, en dat alles verenigd in één man, die de gezegende leeftijd van 87 jaar heeft bereikt. Geen wonder, dat hij een niet te onderschatten invloed heeft uitgeoefend op kerk en school in die dagen, maar ook op zijn ambtgenoten, studenten en vrienden.
Was Voetius dan volmaakt? Gelukkig
niet, dan zou hij een figuur zijn om bang van te worden. Ook hij was een zondig mens en had, als ieder ander, zijn gebreken. Maar dat de vaderlandse Kerk aan deze man veel te danken heeft gehad, is buiten alle twijfel. Dat Voetius, ondanks zijn voortreffelijke kwaliteiten, toch slechts in naam bij het „gewone volk" bekend is, vindt z'n oorzaak weer in het feit dat zijn meeste werk het stempel van de wetenschap draagt. Wie preken of andere stichtelijke lectuur zoekt, kan gemakkelijker bij anderen terecht. Voetius heeft echter ook aan „de praktijk der godzaligheid" alle aandacht besteed; die lust heeft door de vrij ingewikkelde vorm heen te dringen, zal ondervinden, dat hij niet uitsluitend voor theologen heeft geschreven.
Voetius als student
Het lange leven van de Utrechtse hoogleraar is veelbewogen en soms zelfs wat avontuurlijk geweest. Hij werd geboren te Heusden op 3 januari 1589, dus in een woelige tijd, midden in de tachtigjarige oorlog. Vlak na zijn geboorte werd Heusden al door de Spanjaarden belegerd. Zijn vader, Paulus Voets, die vroeger in het leger had gediend en nu eigenaar van landerijen geworden was, raakte door de oorlog aan lagerwal en trad opnieuw in dienst. Dat zou hem het leven kosten. De jonge Gisbertus was acht jaar, toen zijn vader sneuvelde. Op school bleek al spoedig dat Gisbertus aanleg voor de studie had. Moeder kon het niet betalen, maar de overheid van Heusden beschouwde het als haar ereplicht om, uit achting voor zijn vader, de studie van de jongen te bekostigen. De 15-jarige knaap vertrok in 1604 naar Leiden om daar theologie te gaan studeren. Hij nam zijn intrek in het beroemde Staten-College, een soort internaat. De leider van dat internaat was in die dagen Petrus Bertius, die zich later als een vurige Remonstrant zou ontpoppen. Met deze „regent" kon Voetius het niet vinden. Zou hij toen diens vrijzinnige ideeën al geproefd hebben? Of heeft hij als vurig vereerder van Gomarus diens tegenstander Bertius een beetje geplaagd? De strijd tussen Remonstranten en Contra-Remonstranten was nog maar in haar beginstadium, het lijkt wat vreemd dat Voetius, die toch met latere Remonstranten als Episcopius en Geesteramus bevriend was, alléén uit liefde voor de waarheid (als jongen van nog geen 20 jaar) met Bertius op voet van oorlog leefde. Hoe het ook zij, Bertius klaagde hem aan omdat hij zich niet netjes gedroeg en Voetius werd van school gestuurd. Hij wilde blijkbaar het hoofd niet buigen, want de laatste twee jaar was hij „in pension" bij gewone burgers.
Predikant te Vlijmen
Zeven jaar (vrij lang voor die tijd) studeerde Voetius, breed en diep. Als jongeman van 22 jaar deed hij in 1611 zijn intrede te Vlijmen en Engelen. Hij was daar de eerste predikant na de Reformatie en had het er niet gemakkelijk. De bevolking was in wezen nog Rooms en kwam slechts op naar Gods huis. Maar Voetius begreep, dat bij de Joden een Jood en de Grieken en Griek moest zijn en hield zich stipt aan het Roomse kerkelijk jaar en bediende ook het Woord op de „heilige dagen." Zijn werk droeg vrucht: in 1612 was er al een volledige kerkeraad en de gemeente groeide in de breedte en in de diepte.
Predikant te Heusden
Zes jaar heeft Voetius zijn eerste gemeente gediend. In 1617 kwam de roepstem van zijn geboorteplaats Heusden tot hem. Aan dat beroep was heel wat voorafgegaan, want Heusden was een twee-predikantsplaats en Voetius' toekomstige ambtgenoot Grevius was een Remonstrant en deed dus alle mogelijke moeite om het beroep van Voetius te verhinderen. Toen Voetius tóch werd beroepen en inderdaad ook kwam, weigerde Grevius hem te bevestigen. Voetius deed toen, zonder officieel bevestigd te zijn, op 24 mei 1617, zijn intrede met Mattheus 11 vers 28.
De verhouding tussen Voetius en zijn collega Grevius was natuurlijk bepaald slecht. Dat werd nog erger, toen de 29jarige Voetius in 1618 door zijn classis werd afgevaardigd naar de Synode van Dordrecht. Voetius was het jongste lid der Synode en hield zich dus in Dordt, bescheiden als hij was, wat op de achtergrond, hoewel hij het van harte met Gomarus en de zijnen eens was. Na de Dordtse Synode werden alle Remonstantse predikanten afgezet, dus ook Voetius' ambtgenoot. In de plaats van Grevius wercl ds. Cloppenburgh beroepen. Toen deze naar Amsterdam vertrok, werd ds. Seroyen zijn opvolger en nadat deze was overleden, kreeg hij ds. Slatius als collega.
In de zeventien jaar van zijn bediening te Heusden heeft Voetius veel meegemaakt. Eén van zijn kinderen stierf in 1625 aan de pest. In 1629 was hij enige tijd legerpredikant onder Frederik Hendrik. Als zodanig werd hij later aan 's-Hertogenbosch „uitgeleend'' om die jonge gemeente wat te helpen. Ook andere gemeenten, die door de Remonstrantse woelingen in wanordelijke toestand verkeerden, hielp hij in die tijd. Vele beroepen werden op hem uitgebracht, maar hij bleef in Heusden, totdat hij in 1634 werd benoemd tot professor aan de Utrechtse „Illustre School", die pas Hogeschool werd na zijn komst. Hij moet daar alle vakken van de theologische faculteit doceren plus de Oosterse talen. (Het Arabisch, Syrisch en Chaldeeuws had hij door zelfstudie geleerd!)
Naar Utrecht
In 1636 hield Voetius in de Domkerk zijn inaugurele rede, (in het Latijn) getiteld: „Oratio de pietate cum scientia coniugenda" („Rede om de godsvrucht met de wetenschap te verbinden"). Hij betoogt erin dat hoofd en hart, kennis en geloof moeten samengaan. Aan het eind van deze rede sprak Voetius het beroemd geworden gebed uit, dat vertaald als volgt luidt:
„Maar daar onze pogingen, onze raadgevingen, onze overredingen, onze redevoeringen van de theologische catheder niets vermogen, indien de Heilige Geest ons niet inwendig onderwijst (want zoals Augustinus terecht heeft gezegd, is de catheder op aarde, maar de Leraar in de hemelen) zo wenden wij ons tot U, o God, Vader, Zoon en Heilige Geest, onze Schepper, Ontfermer, Verlosser, Heiligmaker. Wij bidden U, verlicht ons verstand op krachtige en liefdelijke wijze, buig onze harten, regel onze hartstochten, kruisig ons vlees, scheld de wereld en de satan, die ons verzoeken en aanvechten, bekeer ons en wij zullen bekeerd worden, trek ons en wij zullen U nalopen; werk in ons opdat wij werken; geef wat Gij beveelt en beveel wat Gij wilt en Gij zult niet tevergeefs bevelen. Ontferm U over ons vaderland, ontferm U over de kerk, ontferm U over ons gymnasium, bekeer de ongelovigen, versterk de gelovigen, richt ons allen op de weg des vredes, naar het vaderland der eeuwige heerlijkheid.
U zij de lof, de eer, de heerlijkheid tot in alle eeuwigheid. Amen."
Over de veelomvattende arbeid van Voetius als predikant en hoogleraar te Utrecht D.V. een volgende maal.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 oktober 1958
Daniel | 8 Pagina's