JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

De vijanden Gods

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De vijanden Gods

5 minuten leestijd

(2).

De grote vijandin van God is de zond e. Nu doet zich dadelijk de vraag aan ons voor: Wat is eigenlijk zonde? Is zij een macht, die positief werkt, d.w.z. een macht, die iets doet, iets tot stand brengt, iets schept, dat er voorheen niet was? Of is zij een n e-g a t i e v e macht, die niets doet, niets werkt, niets schept, maar integendeel iets nalaat, iets vernielt, iets tegenstaat? Het antwoord moet luiden, dat de zonde slechts een negatieve macht is. Haar werking bestaat uitsluitend in het tegenstaan van het goede, in het verwoesten en vernielen en nalaten, wat God tot stand gebracht en geboden heeft.

De zonde doen, wil dus eigenlijk zeggen: alaten, wat God geboden heeft. En hieruit blijkt al direkt, dat de zonde niet los te maken is van de Wet Gods. De apostel Paulus zegt dat zo duidelijk; „Waar geen wet is, daar is ook geen overtreding!" (Rom. 4 : 15).

God had de mens geschapen met het doel, dat hij Hem zou dienen en gehoorzamen; en dat dienen en gehoorzamen moest geschieden volgens de regel, die God zelf had aangegeven in de Wet, die Hij in het hart van Adam en Eva geschreven had. Dat menselijk hart was volkomen afgestemd op die Wet. Het was voor Adam en Eva vanzelfsprekend, dat zij aan de Wet des Heeren gehoorzaam waren. In die Wet toch had de Heere Zijn rechten op de mens neergelegd. Bleef de mens trouw aan de naleving van die Wet, dan stond hij dus recht voor God, dan beoefende hij de gerechtigheid, en was hij daardoor zelf een rechtvaardige. Zodra echter de mens de Wet Gods zou nalaten te onderhouden, d.w.z. niet zou doen, wat God van hem eiste, dan stond hij niet recht voor God, dan werd hij een onrechtvaardige; iemand, die de ongerechtigheid deed. En juist de ongerechtigheid, dat nalaten van de Wet te gehoorzamen, dat is de zond e. De Heilige Schrift zegt dan ook in 1 Joh. 3 : 4: De zonde is de ongerechtigheid!" Uit deze toelichting op het begrip „zonde" blijkt dus dadelijk, dat God nooit de Auteur van de zonde kan zijn. Immers, de zonde is niet iets dat in en van zichzelf bestaat, maar een macht, die het bestaande terzijde zet. Het werk van de zondemacht is nooit opbouwen, maar alleen afbreken. De zonde is niet een w e g, maar is het a f-w ij k e n van de goede weg.

Nu heeft God, de Pleere, de mens een weg gewezen door hem Zijn Wet te stellen; de kracht en lust om op die weg te gaan, schonk God hem eveneens; maar het afwijken van die weg kan nooit uit Gods doen voortvloeien, maar alleen een daad van het schepsel zijn, dat verplicht was op die weg Gods, te wandelen. Niet de Wetgever, die uiteraard boven de Wet staat, maar de onderdaan, die alleen, kan van het houden der Wet afwijken.

Een voorbeeld moge dit verduidelijken. Een werkgever stelt als wet en regel, dat zijn knecht 's morgens om acht uur op zijn werk moet zijn. Wanneer nu die knecht een kwartier te laat komt, dan is hij een afwijker van de wet; dan heeft hij niets positiefs ge daan, maar hij heeft iets nagelaten, n.1. op tijd te komen; aan zulk een zonde kan nooit de wetgever (in dit geval de werkgever) schuldig staan, maar alleen de werknemer, omdat het volbrengen van deze plicht niet op de werkgever, maar op de werknemer rust.

Houdt men dus in het oog, dat het karakter der zonde aangeduid wordt door wetsovertreding, dan is daarmede tegelijk bewezen, dat nooit de wetgever, doch alleen de onderdaan de schuldige kan zijn. En ten opzichte van de wereldzonde kunnen wij dus met de meeste stelligheid staande houden tegenover elkeen, die God van schuld betichten wil, dat zoiets onmogelijk is, omdat zonde doen geen nieuwe, op zichzelf staande daad is, maar het niet nakomen van de Wet, waaronder alleen het schepsel staat.

Hiermede is echter geenszins verklaard, hoe de zonde in de wereld is ingekomen. Blijkens ons vorig artikel is dit geheimenis ook nooit ten volle te doorgronden. Wel weten wij uit de Schrift, dat niet de mens, maar één der engelen, niet een aardbewoner, maar een hemelbode dit gedaan heeft.

Het is wel een ontzaglijke gedachte, dat de zonde in de hemel begonnen is, en toch is het zo. Onder de reine, heilige engelen is het eerst de vijandschap tegen God opgekomen. Daar ligt de kiem, het begin van alle kwaad; vanuit de hemel is de zonde, als een giftige plant naar de aarde overgebracht, waar ze nog dagelijks dood en verderf verspreidt en in hooggaande vijandschap tegen de Allerhoogste oplaait.

Want mijn hoofd is als bedolven In de golven Van mijn ongerechtigheên; Zulk een last van zond' en plagen, Niet te dragen, Drukt mijn schouders naar beneên.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 oktober 1958

Daniel | 8 Pagina's

De vijanden Gods

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 oktober 1958

Daniel | 8 Pagina's