JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

VRAGENBUS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VRAGENBUS

6 minuten leestijd

J Correspondentie voor deze rubriek aan: I T. MOLENAAR. Leede 18. Rotterdam-Zuid

]. H. te B. vraagt of wij de doop van Rome erkennen.

Antwoord: De Roomse doop wordt in onze gemeenten erkend. Onze kerkelijke vergaderingen volgen hierbij het standpunt van Calvijn. Kort gezegd komt het hierop neer: De doop moet geschieden door een wettig ambtsdrager in zijn kring, de doopsformule moet zijn: „Ik doop u in de naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes'' en de kerk waartoe die ambtsdrager behoort mag de Drieeenheid Gods niet loochenen. Dat laatste volgt reeds uit de doopsformule. De Roomse kerk loochent de drieëenheid Gods niet, hoewel zij spreekt van de Drievuldigheid, een uitdrukking, die ook door oudere Godgeleerden gebruikt werd. (Zie Sions Roem en Sterkte, bladz. 90 uitgave drukkerij „De Banier.")

Laat ik nu even citeren wat Calvijn zegt. In Boek IV Hoofdstuk XV, onder 16 schrijft hij: „Verder, indien waar is, wat wij vastgesteld hebben, dat het sacrament niet moet getaxeerd worden naar de hand van hem, die het bedient, maar als naar de hand Gods, van wien het zonder twijfel afkomstig is, dan kan men daaruit opmaken, dat aan het sacrament niets toegebracht wordt of er van afgenomen wordt door de waardigheid van hem, door wiens hand het uitgedeeld wordt.

En evenals onder de mensen, wanneer er een brief gezonden is, het er allerminst toe doet mits de hand en het zegel voldoende herkend worden, wie of hoedanig de overbrenger van de brief geweest is, zo moet het voor ons voldoende zijn, dat we de hand en het zegel onzes Heeren in Zijn sacramenten erkennen, door welke overbrenger ze dan ook mogen gebracht worden. Hierdoor wordt de dwaling der Donatisten (niemand kan de reinheid meedelen, die zelf niet rein is) uitnemend weerlegd, die de kracht van het sacrament afmeten naar de waardigheid van cle dienaar. Zulke mensen zijn tegenwoordig (de tijd van Calvijn) onze Wederdopers, die hardnekkig ontkennen, dat wij naar behoren gedoopt zijn, omdat we door goddelozen en afgodendienaars in het pauselijk rijk gedoopt zijn, en die daarom als bezetenen aandringen op wederdoop. Tegen hun dwaasheden zullen we met voldoende krachtige reden versterkt worden, wanneer wij bedenken, dat wij door de doop ingewijd zijn niet in de naam van enig mens, maar in de naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes. Zo heeft het cle Joden geen nadeel gedaan, clat ze cloor onreine en afvallige priesters besneden zijn: en daarom was het teken niet ongeldig, zodat het nodig zou geweest zijn cle besnijdenis te herhalen. Want hoewel oudtijds de besnijdenis door vele superstitiën (bijgelovigheden) bedorven was, hield ze toch niet op voor een teken der genade gehouden te worden; en toen Josia en Hiskia uit gans Israël verzamelden hen, die van God afgevallen zijn, hebben zij hen niet tot een tweede besnijdenis geroepen."

T. R. en D. R. te K. benevens J. W. H. te B. vragen mijn oordeel over een wit bruidstoilet.

Antwoord: Het is mij niet bekend, dat er een uitspraak is van onze meerdere kerkelijke vergaderingen, dat het verboden en tegen Gods Woord is, dat een bruid in het wit trouwt. Wel weet ik, dat er sommige kerkeraden zijn, die de voorkeur geven aan meer donkere kleding. En verder weet ik ook, dat de meeste kerkeraden tegen het wit van de bruid geen bezwaar hebben.

Wat mijn oordeel is? Daartoe diene het volgende:

Het kleed, dat we dragen, is het kleed van onze schande, een bedekking van onze naaktheid; een herinnering aan onze diepe val en een vermaning tot ootmoed en kleinheid.

Voorts dient het ook tot bescherming van het lichaam tegen koude en hitte. In het paradijs was het klimaat met de staat der rechtheid harmonisch één. Men kende er niet de verzengende hitte, die het lichaam verbrandde en evenmin de snerpende koude, die het deed verstijven van pijn. Eerst na de val kwam die grote verandering in het klimaat, zodat O O storm en onweer, regen en wind, koude en vorst een bedekking nodig maakten. In zake het gebruik en cle waardering van het kleed lopen de richtingen verre uiteen. Sommigen minachten het kleed. Zij zeggen: „Een kind van God moet het kleed der gerechtigheid van Christus aandoen cloor het geloof. Wie dan ook in waarheid tot God wordt bekeerd, die snijdt de zilveren knopen af van zijn vest en de zilveren gespen van zijn schoenen." Bij de Dopersen leidde het enerzijds tot het zwart gewaad en anderszijds tot de naaktloperij.

Anderen overdrijven in het stuk van de kleding. Dit is de zonde van de slaafse volgelingen van de mode. Zij vergeten clat het eerste en voornaamste doel der kleding ligt in de bedekking der zonde. Hoofddoel bij dezulken is versiering van het lichaam. Voor de godin der mode knielen zij neer. Vele uren van hun kostbare tijd neemt het kledingstuk in beslag. Schatten van goud en zilver worden er aan het gewaad besteed.

Daar tussen in ligt de waardering der Schrift. Zij minacht het kleed niet, maar zij overdrijft ook niet. Zij waardeert het als een gave Gods. Jozef ontving een veelkleurige rok. Slordigheid op zijn gewaad past een christen niet. Slordigheid is geen Godsvreze. Christus heeft niet alleen de ziel van Zijn volk verlost, maar ook het lichaam. Het lichaam is een tempel des Heiligen Geestes en moet een kleed dragen, dat er waardig bij past.

De mode-en weeldezucht van deze moderne tijd vindt geen genade bij God.

En nu iets wat de kleuren betreft. Het witte zonlicht wordt in een prisma gebroken in zeven kleuren, cle kleuren van cle regenboog: Rood-oranje-geel-groen-Iiehtblauw, donkerblauw en violet. De kleur is dus een schepping Gods. Van de kleur mogen we dus gebruik maken, ook in onze kleding. Dat heeft Israël ook gedaan in het Oude-Testament. De veelkleurige rok spreekt er reeds van.

Tegen het „wit" in de bruidstijd kan ik geen bezwaar zien. Het gaat clan ook niet tegen cle kleur, maar tegen het gewaad zelf. Als een bruid, gedekt, in een voegzaam gewaad, haar huwelijk wenst bevestigd te zien in Gods huis, terwijl de bruidsjapon „wit" is, dan is er naar mijn mening niet het minste bezwaar in.

Bij wanne dagen is de witte kleur het meest aanbevelenswaardig. Vandaar dat in Oosterse landen het wit domineert. En geen wonder! Het wit kaatst de zonnestralen terug, terwijl het zwart de zonnestralen (warmtestralen) absorbeert.

Al bij al is dit mijn eindconclusie: tegen een witte bruidsjapon heb ik geen bezwaar, men lette echter wel op een voegzaam gewaad.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 oktober 1958

Daniel | 8 Pagina's

VRAGENBUS

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 oktober 1958

Daniel | 8 Pagina's