Julia na van Stolberg
(10)
Hebt U de brief van moeder Juliana in het vorige nummer van „Daniël" met aandacht gelezen? Is het niet aangrijpend? Nu nog, na bijna 400 jaren, grijpt cle ontroering ons aan, als wij die klacht
horen: „Ik ben waarlijk een bedroefde moeder en kan van mijn droefheid niet verlost worden, totdat mij de lieve God door Zijn Genade uit dit jammerdal tot Zich neemt, hetgeen ik van harte begeer en bid dat spoedig geschiede."
Welk een smart heeft zij moeten doorle-
toen was de genadetijd voor altijd voorven! Zes jaar geleden was Adolf gevallen, nu waren Hendrik en Lodewijk gesneuveld, Lodewijk, haar lieveling, die niet alleen bekend was om zijn onstuimige dapperheid, maar bovenal om zijn kinderlijke vroomheid. Pas was hij, van zijn ziekbed opgericht, weer moedig te veld getogen, of
Welk een diepte van lijden klinkt ons tegen uit de woorden: „Ik ben waarlijk een bedroefde vrouw!" Hoe gevoelt zij, dat zij onder Gods genade niet in de wille Gods kan berusten en daarom de wens uit... . „dat Hij ons Zijn Heilige Geest geve om alles, wat Hij ons toezendt, met geduld aan te nemen."
Maar zij denkt niet alleen aan eigen leed, neen, de ere Gods weegt haar zwaar, als zij spreekt over Gods toorn, Zijn straf en kastijding en klaagt over het vloeken en andere goddeloosheden, die door de soldaten worden bedreven. Hoe kunnen strijders voor zulk een heilige zaak toch zo leven! Wat ligt er een diepte van ernst achter die klacht! En ondanks dit alles zal zij aanhouden met haar gebed, zij gaat vóór, die trouwe moeder.
Ja, een echte trouwe moeder, want zij denkt aan alles. De kleine Maurits, door zijn eigen moeder in de steek gelaten, is ook op de Dillenburg met zijn zusjes. Hij is zeer ernstig ziek geweest. Maar zijn vader heeft het niet eens geweten: die zorg heeft Juliana nog bovendien gedragen. Maar, gelukkig, nu is hij weer beter en ook de andere kinderen zijn gezond. Zeker heeft Juliana ook voor Maurits gebeden. Wat een voorrecht zo'n biddende moeder te mogen bezitten!
O, edele vorstin, wat hebt gij veel [ geleden! In welk een jammerstaat doet [d' Almacht u thans treden! Hoe draagt gij nu een kruis, zo zwaar, [dat schrijnt, dat smart! Hoe scheurt men u de dierbre zonen [van het luirt! Hoe moet het vuur van 't Christelijk [ geloven In deze zee van jammer wel verdoven Maar neen, het schittert nog in hoger, [reiner gloed: Want andrer schuld en zond' wordt [mee door U geboet, En andrer zorg en leed wordt mee [door U gedragen, Gij leert ons, als God toornt, [barmhartigheid te vragen, En gij hebt niet vermoed, (hoe hoog [zijn Gods gedachten.) Dat Uw geloof de zegen bracht in [verre nageslachten.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 oktober 1958
Daniel | 8 Pagina's