JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

MAARTEN LUTHER

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MAARTEN LUTHER

7 minuten leestijd

Met het oog op de naderende herdenking van de Kerkhervorming op 31 okt. a.s. leek het ons goed, in een paar artikelen iets te vertellen over de Kerkhervormer Luther.

Lnther werd op 10 nov. 1483 geboren te Eisleben in Duitsland. Zijn ouders waren arme mensen: Hans Luther en Grethe Lindemann. Toen ze later naar Mansfeld verhuisden, werden ze tamelijk welgesteld.

Thuis kreeg Luther naar de gewoonte dier tijden een strenge opvoeding. „Mijn ouders meenden het goed met mij, maar zij kenden het ware middel niet, om mij te straffen. Door mijn meester werd ik eens op één voormiddag vijftien maal geslagen. Ik verbleekte, als ik de naam van Christus hoorde noemen, want ik wist niet beter, dan dat ik Hem voor een toornig en gestreng rechter moest houden!."

Daar hij een goed verstand had, moest hij studeren. Eerst naar Maagdenburg, daarna te Eisenach. Hier verdient hij zijn onderhoud met zingen langs de huizen. De echtgenote van een rijk man, Koenraad Cotta, voelde zich tot hem aangetrokken door zijn eerbiedig bidden in de kerk. Zij nam hem, met goedvinden van haar man, in haar huis op. Luther kan nu ijverig en rustig studeren, genoot van een onbezorgd leven en leerde beschaafde manieren.

In 1501 vertrekt hij naar de hogeschool te Erfurt. Hij zou rechtsgeleerde worden en is een voorbeeld van ijver. Elke dag begint hij met God: „Goed gebeden is meer dan half gestudeerd." In de bibliotheek van deze school vindt hij, aan een ketting geklonken, een Bijbel. Dit was zijn eerste kennismaking met Gods Woord. Hij las Hanna's lofzang en Samuëls roeping en verwonderde er zich over, dat er in de Bijbel zoveel meer stond, dan hij er ooit in de kerk van gehoord had. Tot een geregeld lezen en onderzoek van het Woord kwam het nog niet. In 't diepst van zijn hart was hij echter ernstig en godsdienstig. Doodsangsten konden hem overvallen, indien hij dacht aan Gods heiligheid en rechtvaardigheid en aan het gericht Gods, waarvoor hij niet zou kunnen bestaan; hoeveel kwam hij te kort bij zijn moeder, die zo streng en heilig leefde!

Die angst overviel hem in hoge mate, toen één zijner vrienden bij een vechtpartij gedood werd. Toen hij kort daarop uit Mansfeld van vakantie terugkeerde, werd hij overvallen door een hevig onweer. Een bliksemstraal sloeg vlak bij hem in een eik. Bevend viel hij ter aarde en bad: „Help mij, lieve heilige Anna, ik wil monnik worden." Nog een vrolijke avond met zijn vrienden en de volgende morgen gaat hij de poort van het Augustijner klooster binnen. Daar zou hij veilig leven en rust vinden voor zijn hart.

Hij vond echter onder zijn medemonniken geen heiligen. Zelf is hij een voorbeeldig monnik geweest. „Indien iemand in de hemel komt door een goed monnik te zijn, dan zou ik de hemel verdiend hebben. Dat kunnen de kloosterbroeders, die mij gekend hebben, getuigen. Als het langer geduurd had, ik zou mij door waken, bidden, vasten en kastijden doodgemarteld hebben." Hij meende door „vrome, goede werken" de vrede voor zijn hart te vinden en de hemel te verdienen. Hij vond geen rust.

„Mijn zonden, mijn zonden, mijn zonden!" zo hoorde men hem menigmaal jammeren in zijn cel. 't Was steeds: hoe kan ik, zondaar, verschijnen voor een heilig, rechtvaardig God.

In deze tijd kwam Dr. Von Staupitz, de opziener van al de Augustijner kloosters in Duitsland, ook Luthers klooster bezoeken. Deze wees hem met nadruk op het onderzoek van de Heilige Schrift. Dat was in het klooster mogelijk, omdat hij daar gekomen was om priester te worden.

Bij een volgend bezoek sprak Von Staupitz tot hem deze merkwaardige woorden: „Broeder Martin, God heeft u tot wat groots bestemd."

Op zijn aandrang liet Luther zich in 1507 tot priester wijden en benoemde Frederik de Wijze, keurvorst van Saksen, hem in 1508 tot professor aan de hogeschool te Wittenberg. Hij bleef echter wonen in het klooster der Augustijnen.

In 1510 reisde hij naar Rome. Hij ging er goed rooms heen en kwam ook goed rooms terug. Hij beklom daar de z.g. Pilatustrap en heeft daar het diep bederf der kerk gezien, waar hij haar het heiligst had gedacht.

Von Staupitz raadt hem aan, examen te doen in de godgeleerdheid. Hij weigert, omdat hij anderen niet uit de Schrift onderwijzen kan. Hij kende wel een groot deel van de Schriften van buiten, maar hij verstond ze niet; hij vond er geen troost in: hoe de Schriften van de Heere Jezus getuigden, om Wiens verdiensten God de goddelozen rechtvaardigt en dat de mens alleen rechtvaardig voor God is door een oprecht geloof in Jezus Christus. Daarom vervulde hem de gerechtigheid Gods met angst en schrik.

Toch kreeg Von Staupitz zijn zin. Luther werd in 1512 doctor in de Godgeleerdheid en moest toen zweren: „ de Evangelische waarheden tegen alle dwalingen te zullen verdedigen." Wat is die eed hem tot sterkte geweest, toen hij later midden in de strijd aan smaad en vervolging blootstond.

Nu moest hij de Schrift verklaren en de strijd werd er niet minder op. Lang duurde dit niet Sterker dan ooit heeft Luther in zijn cel tot God geroepen. En toen heeft de Heilige Geest het geloof in zijn hart gewerkt door het Woord: De rechtvaardige zal door zijn geloof leven." (Hab. 2 : 4) „Toen werd mij de gehele Heilige Schrift en de hemel zelf geopend."

Toen kon Luther prediken. Aangesteld tot prediker van de hoofdkerk te Wittenberg, verdrong de menigte zich om te horen. Het goede zaad werd uitgestrooid en droeg veel vrucht. Maar ook de vijandschap kwam los.

Het was in deze tijd, dat de paus Leo X veel geld nodig had, omdat hij de grootse bouw van de St. Pieterskerk wilde voltooien. Bovendien had hij zich voorgenomen, zijn zuster Margaretha een schitterende uitzet te geven bij haar huwelijk.

Om aan dat geld te komen, liet de paus aflaatbrieven drukken en te koop aanbieden. Het lag in zijn bedoeling, dat de aflaat alleen een vrijlating zou zijn van kerkelijke straffen. Maar aflaatkramers maakten ervan, dat door het kopen van deze aflaatbrieven vergeving van alle zonden kon verkregen worden, en dat niet alleen voor de levenden, maar dat ook de gestorvenen, die in het vagevuur waren, door zulke aflaten gered konden worden.

In Duitsland trad Johan Tetzel, een Dominicaner monnik, als aflaatkramer op. Door schrikaanjagende woorden wist hij de domme menigte te bewerken. „Het is niet nodig, " zo zei hij, „berouw en smart over de zonden te hebben, als men maar een aflaatbrief koopt." Met betrekking tot de doden, verklaarde hij: „Op het-

(Vervolg op pag. 55)

(Vervolg Maarten Luther)

zelfde ogenblik, dat het geld in de kist klinkt, springt de ziel uit het vagevuur. Tetzel reisde met veel luister in een fraaie wagen, van drie ruiters vergezeld en gevolgd door een grote stoet. Naderde hij een stad, dan deed hij de overheid weten, „dat de genade Gods en van „de Heilige Vader" voor de poorten verschenen was." Dan werden de klokken geluid en alles kwam op de been, om van de intocht getuige te zijn.

De pauselijke bul werd op een met goud omzoomd kussen voor de stoet uitgedragen en zo trok men in statige optocht naar de kerk. Daar plaatste Tetzel een groot, geschilderd houten kruis voor het altaar, omhing het met het pauselijke zegel en beklom de kansel, om met donderende stem en met veel drogredenen zijn aflaatbrieven aan te prijzen. Dat alles maakte dan grote indruk op het volk en de kopers ontbraken zelden. Luther was over dit alles in toom ontstoken en toen Tetzel ook binnen de muren van Wittenberg zijn aflaatbrieven zou 'verkopen, besloot Luther, zich met kracht hier tegenover te stellen.

En zo naderde de avond van de 31ste oktober 1517, toen Luther met eigen hand de beroemde 95 stellingen tegen de aflaat, aan de Slotkerk te Wittenberg bevestigde.

De uitwerking van die daad was groter, dan iemand had kunnen verwachten. Binnen 14 dagen waren deze stellingen door geheel Duitsland, binnen 6 weken door geheel Europa verspreid. Ze veroorzaakten overal een ontzettende beroering. Velen, die het roomse juk moede waren, verblijdden er zich over en bewonderden de dappere monnik. De pausgezinden waren echter zeer verbolgen.

(Wordt vervolgd)

W. van Dijk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 oktober 1958

Daniel | 8 Pagina's

MAARTEN LUTHER

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 oktober 1958

Daniel | 8 Pagina's