JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

De vijanden Gods

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De vijanden Gods

4 minuten leestijd

20.

Inleiding

Tot nu toe hebben we gehandeld over het goede, dat er in God is, en dat van Hem uitgaat. Wij schreven over zijn Woord; Zijn Wezen; Zijn Deugden; Zijn Besluiten; Zijn Werken^.

In dat alles was niets anders dan goeds en heerlijks op te merken, omdat God van dat alles de Bezitter of de Werkmeester is. Naar Zijn Wezen is Hij de Algoede; naar Zijn Werken is Hij de Goeddoende. „Al, wat Hij wrocht, zal juichen tot Zijn eer!"

Maar nu moeten we in dit artikel een aanvang maken met een zaak, die niet goed is; die niet uit Gods Wezen en Werken voortvloeit, maar die zich, juist andersom, tegen God en tegen Zijn heilige werken verheft en verzet.

Daarom schrijven wij boven dit hoofdstuk: „De v ij a n d e n Gods, " want we gaan nu onze aandacht schenken aan de machten der boosheid en des kwaads, die zich hebben opgemaakt, en nog dagelijks opmaken om God en Zijn volk en Zijn besluiten en Zijn werken tegen te staan en te belemmeren.

Wanneer we ons zetten tot de behandeling van deze gewichtige stof, dan past het allereerst onze menselijke onkunde te belijden. Want zo vast als het feit staat, dat er kwaad, zonde in de wereld is, even zo vast staat het, dat wij, mensen, nimmer de oorsprong van het kwaad ontdekken en vaststellen kunnen. God de Heere heeft over het b e-g i n s e 1 van de zonde een sluier gelegd, die wij niet vermogen op te lichten; en Hij heeft dat zeker gedaan, opdat de mens leren zal de hand in eigen boezem te steken, en niet in vermetelheid de Almachtige van onrecht te betichten.

Eenmaal, ja, op de grote dag der dagen, wanneer al de boeken, die voor Gods troon zijn, geopend zullen worden, dan zal God zichzelf rechtvaardigen, en voor het oor en oog van gezaligden en verdoemden helder en klaar doen horen en doen zien, dat de schuld der zonde niet bij Hem ligt, doch bij hen, die moedwillig en vrijwillig van Hem zijn afgevallen. Maar zolang die geduchte dag Zijner toekomst nog niet gekomen is, hebben wij door het g e-1 o o f te aanvaarden, wat Zijn Woord ons leert, n.1. dat God rechtvaardig is in al Zijn doen en dat de mens schuldig staat aan de vijandschap, die in zijn ziel leeft tegen zijn Maker en Onderhouder. Intussen, al kunnen wij voor ons menselijk denken nooit de oorsprong der zonde verklaren, toch laat de Heilige Schrift ons niet geheel in het onzekere daaromtrent. Wij weten er zo weinig van, dat onze ijdele nieuwsgierigheid er niet door bevredigd kan worden; maar wij weten er ook zoveel van, dat wij onszelf niet schoon kunnen wassen, maar dat het altijd moet zijn: „Mea culpa", d.i. „mijne is de schuld!"

Eer dat echter de mens daartoe gekomen is, om hartgrondig te belijden, dat hij een vijand Gods is, en dat de schuld bij hemzelf, en niet bij God ligt, zie, dan is er heel wat nodig; dan is er de wederbarende werking van de Heilige Geest vereist, en mist hij die, dan zal hij eerder het Woord Gods leugen noemen, en zichzelf als een rechtvaardige trachten te handhaven, dan dat hij bukken zou onder het veroordelend vonnis, dat Gods Getuigenis over hem velt.

Wij wensen dan in een reeks artikelen over de vijanden Gods te handelen, en daarbij achtereenvolgens na te gaan, wat de zonde eigenlijk is; hoe zij het eerst in de hemel is ontstaan; hoe Satan ze de wereld heeft ingedragen; hoe door de zonde de natuur des mensen is verdorven geworden en alle schepsel voor God verdoemelijk staat; om dan daarna te zien, hoe niet alleen de onwil, maar evenzeer de onmacht en de onkunde des mensen hem schuldig voor God doet staan; hoe het proces der zonde steeds doorwerkt als een kanker in het lichaam; hoe God de Heere in Zijn grondeloze ontferming dat proces der zonde in zijn voortgang heeft gestuit; hoe Hij de Enige Weg gebaand heeft om de zonde uit te bannen, en eindelijk hoe eenmaal alle zonde te niet gedaan zal zijn, en de blijde tijd zal aanbreken, waarvan de dichter van Psalm 104 reeds in heilige profetie heeft gezongen, toen hij uitriep: „De zondaars zullen van de aarde verdaan worden, en de goddelozen zullen niet meer zijn; loof de Heere, mijne ziel, Hallelujah!''

En de Heere geve, dat mede door deze artikelen, vele vijanden Gods zichzelf tot een vijand mogen worden, om alzo weer met God verzoend te geraken door Hem, die de vijandschap aan het kruis heeft te niet gedaan.

Bescherm ons, in den hangen tijd, Van zielsverzoehing en van strijd: Laat nooit den bozen vijand toe, Dat hij ons enig hinder doe!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 oktober 1958

Daniel | 8 Pagina's

De vijanden Gods

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 oktober 1958

Daniel | 8 Pagina's