Een huichelaar ontmaskerd
Zal hij zich verlustigen in dc Almachtige? Zal hij God aanroepen te aller tijd? (Job 27 : 10)
Job, de godvrezende man uit het land Uz, is zwaar bepioefd; veel L^cft hij geleden, ook van zijn vrienden. Zij hebben job beschuldigd van goddeloosheid of huichelarij.
Volgens deze vrienden had Job slechts een gedaante van godzaligheid vertoond, doch de kracht derzelve verloochend. De nameloze ellende, hem overkomen als straffen Gods, moesten dienstbaar zijn om Job openbaar te maken, als een huichelaar.
Job verdedigt zich, en verlicht door Gods Geest, verklaart hij de eigenschappen van een huichelaar, zeggende: Zal hij zich verlustigen in de Almachtige?
O, welk een toetssteen ter onderzoeking en beproeving is ons hierin gesteld; zich verlustigen in God is buiten het zaligmakend geloof niet denkbaar, ja onmogelijk.
In de staat der rechtheid waarin wij gesteld zijn, krachtens ons inzijn in Adam ons verbondshoofd, was onze verlustiging in de Almachtige. De zonde der verbondsbreuk maakte aan deze verlustiging in God, onze Schepper en Formeerder, een rampzalig einde. Als God zijn, algenoegzaam, ons verlustigen in onszelf; zelf heer en meester; zie, dat werd in satans verzoeking ons voorgesteld. De begeerte werkzaam wordende tot het verbodene heeft de zonde gebaard, en de zonde voleindigd zijnde, baarde de dood.
Hoe ontzettend toch is onze doodstaat. Vervreemd van het leven Gods, zoekt ieder mens zijn vermaak en verlustiging buiten God. Niemand vraagt: waar is God mijn maker, die psalmen geeft in de nacht? Doch door de gruwel der zonde heen blinkt Gods heerlijkheid in het volvoeren van Zijn raad. In het volk dat Hij zich ten erve verkoren heeft, hetwelk Hij verlost tot Zijn eer, en begiftigd met een hartelijke vreugde in God door Christus, en lust en liefde naar de wil Gods, in alle goede werken te leven. Dit volk leert bevindelijk de gruwel der zonde kennen in een hartelijk leedwezen. God door hun zonde vertoornd te hebben en daarom derzelve hoe langer hoe meer haten en vlieden. Zij alleen zijn dóór God vóór God het ware Sion, dat verwaardigd wordt zelfs in de nachten der verdrukking te zingen:
Zij zullen in Uw Naam zich al de [dag verblijden, Uw goedheid straalt hun toe, Uw [macht schraagt hen in 't lijden.
Dit nu is een huichelaar onmogelijk en ondoenlijk. Zij hebben door alle eeuwen heen zich bij Gods kinderen gevoegd en worden in onze belijdenis genoemd: (art. 29) het gezelschap der hypocrieten, welke in de kerk onder de goeden vermengd zijn, en intussen van de kerk niet zijn; hoewel zij naar het lichaam in dezelve zijn.
In vele dingen moge een huichelaar zich verlustigen, doch niet in de Almachtige. Hij moge zich verlustigen in algemene verlichting, door het lezen en horen van Gods Woord; ja inzicht krijgen in de verborgenheden van Gods raad gelijk Bileam, doch blijdschap in God, in Zijn dienst, in Zijn dag met Zijn volk; neen, dat vermag hij niet. Hij moge het grote geluk, de veiligheid en toekomst van Gods kerk zien, ja begeren de dood der oprechten te sterven, doch het geestelijke leven kent hij niet.
Het is naar Gods getuigenis zelfs mogelijk de hemelse gave gesmaakt te hebben; het goede woord Gods en de krachten der toekomende eeuw, de taal der mensen en der engelen gesproken en toch vreemdeling van het ware verlustigen in God, door het geloof. Een geveinsde moge dan ook in uitwendige zin veel overeenkomst vertonen met een ware Israëliet, doch daarin zal hij gewisselijk feilen. Zal hij zich verlustigen in de Almachtige? Nimmer zal dit heilgeheim door een huichelaar worden gekend, hoe hij zich ook aanstelt. Het is het deel van het ware Sion. Asafs taal in
Psalm 73 : 25 is hun niet vreemd: ien heb ik nevens U in de hemel? Nevens U lust mij ook niets op de aarde. Dit is de geloofstaal van de oprechte, in het bezwijken van eigen vlees en hart. Ook de profeet Habakuk zou van vreugde opspringen in de Heere en zich verheugen in de God zijns heils; ofschoon het land zijn vrucht niet geven zou, geen kudde de kooien vullen, en geen rund meer zou zijn in de stallingen.
Bij het eerste voegt Job nog een tweede toetssteen zeggende: Zal hij God aanroepen te aller tijd? Daarin wordt het gebedsleven ter toetse gesteld.
Het gebed wordt in de catechismus Vr. 116 genoemd: het voornaamste stuk der dankbaarheid, hetwelk God van ons vordert; Job noemt het God aanroepen. Daarin tekent hij het karakter van het gebed. Was men daarvan doordrongen in het besef van onze onwaardigheid, ons stof en as zijn, dan bestierven alle bombastische woorden op onze lippen. Het gebed is een spreken tot God, niet over God. Hoe vreselijk toch als openbare gebeden in de kerk, op gezelschap of kerkeraad gehoord worden, waarin de Heere wordt gezegd, hoe Hij een mens bekeert of bekeren moet.
Anderen gebruiken het gebed om deze of gene die het hoort, duidelijk te maken, hoe over hem of haar gedacht wordt, omdat de oprechtheid gemist wordt om het te zeggen in het aangezicht. Doch genoeg hiervan, het zij ons tot onderzoeking en beproeving wijl hier de vraag gesteld wordt: zal een huichelaar God aanroepen? Ja, dat zal hij, doch te aller tijd? Neen! Zal hij God aanroepen in het verborgen; haakt zijn ziel naar de verborgen omgang met God? Kent liij de uitstorting der ziel voor God, gelijk Hanna, of is hij afhankelijk van het oor en de toejuichting der mensen?
Zal hij God blijven aanroepen als verhoring uitblijft? Kent hij de standvastige aankleving der ziel aan Gods genadetroon. Ik laat U niet los, tenzij Gij mij zegent! In genen dele, in bittere vijandschap laat hij in tegenspoed God varen en zwijgt in bitterheid des harten gelijk Hagar in de woestijn. Zal hij God aanroepen gelijk Daniël tegen het verbod des Konings? Zal hij dan bidden met open vensters, ten aanhore van het leeuwengebrul?
Neen, vreemd blijven zulken van de verborgen zuchtingen, gelijk we lezen van Nehemia als hij voor het aangezicht des konings stond.
Als konings volk in nood het gebed vermenigvuldigt in opgebondenheid en aangebondenheid, laat een geveinsde het bidden na, en verwacht zijn hulp van de heuvelen en bergen, ja van de tovenaars te Endor gelijk Saul.
Geveinsden gelijken veel op Mfoabieten, door Jeremia kinderen van het gedruis, levenmakers, genoemd, geestelijke levenmakers, bijzonder in hun openbare gebeden, waarin alle ootmoed ontbreekt. Het zij ons ter toetsing, mijn lezers, opdat deze toetssteen in ons verwekke Davids bede:
Doorgrond in cn kent mijn hart, o [Heer; Is 't geen ik denk niet tot Uw eer? Beproef m en zie of mijn gemoed Iets kwaads, iets onbehoorlijks [voedt; En doe mij toch met vaste schreden De weg der zaligheid betreden.
Ds. M. Blok.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 september 1958
Daniel | 8 Pagina's