JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Een Vrucht der Godzaligheid

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een Vrucht der Godzaligheid

5 minuten leestijd

Bidt zonder ophouden. (1 Thess. 5 : 17)

De godzaligheid is een zo verheven en Goddelijke zaak en verheft de gelovige, die er mee begiftigd is, zo hoog, dat hij daardoor is gekomen tot die hoge eer en die onbegrijpelijke, hoge waardigheid van God geh'jk gemaakt en Zijn heerlijke Goddelijke natuur deelachtig te zijn. Er is dan ook niet veel welsprekendheid toe nodig, om ze u aan te prijzen, die er de zoetigheid van hebt geproefd, want de wijsheid is gerechtvaardigd geworden van haar kinderen (Matth. 11 : 19).

Doch er zijn onder u, die geen smaak hebben in de dingen Gods en voor wie deze dingen maar als hersenschimmige inbeeldingen en begrippen zijn, die er dan ook geen werk van maken, over deze dingen te denken.

Zodat, al konden wij zo over dit onderwerp spreken, dat het heerlijk licht daarvan ons zou bestralen, het blinde hart het toch niet zou kunnen zien, omdat het ingekerkerd is.

Zolang niet Christus zowel onze ogen opent, als Zijn licht openbaart, kunnen wij er niet door verlicht worden.

Hadden wij maar eens zoveel Goddelijk verstand, dat wij er de schoonheid en de noodzakelijkheid van konden zien, in haar voordeel en waardigheid, in haar lieflijkheid en billijkheid, wij zouden het het voornaamste achten, wat wij ons ganse leven door hebben te doen; wij zouden er naar graven als naar een verborgen schat.

Elk deeltje van dit koninkrijk en prachtig sieraad: de godzaligheid, prijst zichzelf aan en dringt zich op in de gunst van een ieder, die zijn ogen niet toesluit. Onder al de schone vruchten en delen van de godzaligheid is deze plicht en genade des gebeds niet de minste en is die ook zeer dienstig om haar aan te prijzen.

Hoewel het soms k^ein schijnt te zijn onder de duizenden van de genaden des Geestes, toch zijn er voortreffelijke dingen uit voortgekomen en het heeft het geen vermetelheid gerekend zich te vergelijken met de hoogste en voornaamste.

Het is die genade, waardoor een ziel verheven wordt, om omgang te hebben en te spreken met God, met de heilige en volzalige Drieëenheid, ja, en dat zo dikwijls en vrij als het de christen behaagt; want er is een deur van toegang, die altijd open staat, waardoor wij mogen ingaan en onze gedachten Gods mededelen en openbaren; en Hij ons Zijn gedachten bekend maakt.

O! dit is een waardigheid en voorrecht, die tot een oneindige prijs voor ons verworven zijn, namelijk door het dierbaar bloed van Christus. De deur van onze toegang tot God is alleen door het voorhangsel van Zijn vlees. Ware dit dieper op onze geesten ingegrifd, wij zouden van deze waardigheid meer gebruik maken; geloofden wij maar de onuitsprekelijke hoogheid van deze plicht des gebeds en het onbegrijpelijke wezen Gods, wij zouden vrezen ons in te laten met wat wij nu door onwetendheid verzuimen; wij zouden door een soort van eerbied en vrees bevreesd zijn de berg aan te raken, om niet doorschoten te worden en onszelf beschouwen als onwaardig, om onze ogen ten hemel op te heffen, omdat wij Hem zo dikwijls smaadheid hebben aangedaan.

Het zijn de volgende twee duidelijke hoofdkwalen, die de gehoorzaamheid der christenen aan dit grote en dierbare gebod van „zonder ophouden te bidden', verijdelen en tegenhouden, namelijk: odverloochening en afgoderij; te veel vertrouwen op onszelf en te veel steunen op ons verstand, hetwelk afgoderij is; het is een duidelijke overtreding van het eerste gebod: gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben"; en te weinig vertrouwen in en betrouwen op God, hetwelk onze godverloochening is, onszelf in alles en God in niets te werk stellende, zodat onze gezegende Heere velen onder ons, die onweerlegbare beschuldiging kan toevoegen: Tot nu toe hebt gij niet gebeden in Mijn Naam" (Joh. 16 : 24). En wat is die praktijk anders, dan dat wij die droevige vloek over ons brengen: Vervloekt is de man, die op een mens vertrouwt en vlees

tot zijn arm stelt en wiens hart van de Heere afwijkt" (Jer. 17 : 5).

„Zal men voor de levenden de doden vragen? Zal niet een volk zijn God vragen, Die ons alle dingen rijkelijk geeft, om te genieten".

Verkeerden wij meer onder de geestelijke indruk van onze onbekwaamheid en onmacht, om onszelf te verlossen en van die volkomen bekwaamheid en oneindige macht, welke in Hem zijn, om ons te helpen, wij zouden dit kostelijk gebod, om te bidden, als een gouden keten om onze hals binden en het ons hoofd een sieraad van genade maken.

Wij zouden zekerlijk gedrongen worden uit te roepen: „Al wat de Heere geboden heeft, zullen wij doen" en bidden, dat ons een hart gegeven mocht worden, om onze besluiten in daden om te zetten.

O! zijt gij ook niet van gedachte, dat het een onuitsprekelijke, heerlijke waardigheid is, dagelijks te wandelen in de hemel, in die schone straten van zuiver doorluchtig goud en om te gaan met Hem, Wiens gemeenschap van oneindig meer waarde is, dan alle vorstelijke waardigheden?

Een christen, die veel in den gebede werkzaam is, zal, wanneer hij door de poorten des doods de lange, eindeloze eeuwigheid ingaat, dit kunnen zeggen, dat hij wel van plaats, maar niet van gezelschap verwisselt. De hemel zal voor hem maar een zalige overgang tot een meer gedurige en onmiddellijke genieting van God zijn.

O, wat een zalige dag moet dat wel zijn, wanneer gij geheel en al buiten het bereik van de noodzakelijkheid van deze plicht en alle oefening van de genade des gebeds zult zijn. Want hoewel het een zalige en zeer Goddelijke oefening is, toch ligt er een onvolmaaktheid in opgesloten en daarom moet het noodzakelijk te niet gedaan worden, wanneer het volmaakte zal gekomen zijn < 1 Kor. 13 : 10). O! welk voorrecht, ve^l met Hem in onderhandeling te zijn c-i omgang en gemeenschap met Hem te onderhouden!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 augustus 1958

Daniel | 8 Pagina's

Een Vrucht der Godzaligheid

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 augustus 1958

Daniel | 8 Pagina's