JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

De profeet Amos

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De profeet Amos

4 minuten leestijd

De hiernavolgende inleiding werd gehouden op de 20ste jaarvergadering van de Jongelingsvereniging der Gereformeerde Gemeente te Leiden „Onderzoekt de Schriften", d.d. 25 september 1957 en is, op verzoek van de redaktie, ter plaatsing in „Daniël" afgestaan.

< n)

Als in een profetisch vergezicht voorzag reeds Salomo in zijn gebed bij de inwijding van de tempel de mogelijkheid, dat Israël naar een vreemd land zou worden weggevoerd, toen hij bad: wanneer ze tegen U gezondigd zullen hebben en

Gij tegen hen vertoornd zult zijn en hen zult leveren voor het aangezicht des vijands, dat degenen die hen gevangen hebben, hen gevankelijk wegvoeren in des vijands land dat verre of nabij is, .... en zij zich bekeren, .... hoor dan, o Heere en voer hen uit.

Deze mogelijkheid werd maar al te ras droeve werkelijkheid.

Eerst was er de scheuring van het rijk in twee delen, waarna Jerobeam de kalverdienst instelde in het tienstammenrijk. Al vrij spoedig werd de verering van de kalveren van Dan en Beth-El gevolgd door andere afgoderij. Zo moest Elia de strijd aanbinden tegen de dienst van de Tyrische afgod Baal, . Baal verloor, maar de kalveren bleven staan. Ook in Juda, hoewel daar de tempeldienst bleef bestaan, sloop allerlei ongerechtigheid binnen. Gaandeweg vrat het bederf dieper in. En zo brak de tijd aan, dat de profeten door God werden gezonden, niet meer als Elia, om het volk alleen maar te vermanen, maar met de boodschap, dat het met de afval nu zóver was gekomen, dat het oordeel der wegvoering onafwendbaar was geworden.

Een van de eersten, die deze harde boodschap te brengen hadden, was de profeet Amos, over wie wij in dit stuk iets zeggen willen: Amos, die was onder de veehoederen te Tekoa.

Amos profeteerde, lezen wij in het eerste vers van zijn boek, in de dagen van Uzzia, koning van Juda, en in de dagen van Jerobeam, zoon van Joas, koning van Israël, twee jaren voor de aardbeving. Laten wij eerst eens zien wat voor tijd dat was, en hoe het het er met de beide staten op dat moment voorstond. Zowel Juda als Israël stonden toen, althans ogenschijnlijk, op het toppunt van hun macht. Uzzia heeft, op zijn zestiende jaar koning geworden, twee en vijftig jaren over Juda geregeerd en deed wat recht was in de ogen des Heeren. Op latere leeftijd wilde hij reukwerk in de tempel brengen en werd melaats, doch overigens kende hij steeds voorspoed. Hij onderwierp de Edomieten en bracht de Filistijnen ten onder; zijn naam drong door tot in Egypte. De muren van Jeruzalem werden hersteld; Juda kreeg weer een machtig leger. De zeehandel bloeide weer op. Het land, verzwakt onder de regering van Amazia en Joas, beleefde weer iets van* de bloei die het had gekend onder David en Salomo. (2 Kron't 26, 2 Kon. 14 en 15).

Wat Israël betreft, ook dat maakte juist een periode van opleving door. Onder de regering van Joahaz was Israël schatplichtig aan Syrië. Nadat zijn opvolger Joas bij Elisa driemaal met de pijlkoker tegen de grond geslagen had, heeft hij zijn volk gedeeltelijk vanonder dat juk bevrijd. Jerobeam II, de derde uit het geslacht van Jehu, heeft een en veertig jaar geregeerd en Israël volkomen bevrijd. Hij bracht de Syriërs geheel ten onder, herstelde de landsgrenzen van de ingang van Hamath tot de zee des vlakken velds, naar het woord des Heeren door de dienst van Zijn knecht Jona. Want de Heere zag, dat de ellende Israëls zeer bitter was, dat er geen opgeslotenen noch veriatenen waren, en dat Israël geen helper had. (2 Kon. 14 : 26). Ook in maatschappelijk opzicht kwam er weer enige welvaart. Wel is waar hebben spoedig daarna weer donkere wolken zich samengepakt over het tienstammenrijk door het optreden van de machtige Assyrische veroveraar Tiglat-Pilezer, doch op dit moment was er weelde en rijkdom in het land. Er was slechts één maar: od werd niet gekend; de kalverdienst vierde hoogtij; Jerobeam II • week niet van alle zonden van zijn naamgenoot, de zoon van Nebat, die Israël zondigen deed. Hosea, de jongere tijdgenoot van Amos, tekende de toestand aldus: oud en zilver heb ik ze vermenigvuldigd, alleen zij hebben dat voor de Baal gebruikt. Dus: elvaart en afgodendienst. In korte tijd was men de ellende te boven gekomen. Israël was nu „de eersteling der volken" (Amos 6 : 1) en de Israëlieten beroemden zich, dat zij „door hun sterkte zich hoornen verkregen hadden." (Amos 6 : 13).

Dit wil niet zeggen, dat nu ook de sociale toestanden ideaal waren. De rijken profiteerden van de welvaart ten koste van de armen. Voor de rijken was het leven één vreugdebedrijf. Wanneer u het boek Amos leest, kunt n daar vinden, hoe de toestand in werkelijkheid was. Zij rustten op elpenbenen bedsteden, aten de lammeren der kudde en het vette der meststal. Ze dronken wijn uit schalen en zalfden zich met de kostelijkste olie. Zomerhuizen verrezen voor hen naast huizen voor de winter, gewenste wijngaarden werden aangeplant. De armen daarentegen werden verdrukt, het koren werd hun afgeperst; de efa verkleind, de sikkel vergroot.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 augustus 1958

Daniel | 8 Pagina's

De profeet Amos

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 augustus 1958

Daniel | 8 Pagina's