Noodlotf toeval, fortuin?
DE WERKEN GODS (slot)
Zo hebben we in verschillende artikelen het werk van Gods voorzienigheid in ogenschouw genomen en meer speciaal gelet op de daad der onderhouding, der medewerking en der regering. Nu rest ons nog onze aandacht te schenken aan de menselijke vijandschap, die zich tegen deze Schriftuurlijke waarheid, zoveel zij kan, verzet.
Oppervlakkig geoordeeld, zouden wij zeggen: Hoe heerlijk is het te weten, dat er zulk een almachtig God is, die de draden van het wereldbestuur en van het leven van elk schepsel in het bijzonder zó in Zijn hand houdt!
Maar toch, wie zo spreekt, kent nog niet de innerlijke verdorvenheid en vijandschap van de mens, die zich immers verzet tegen al wat uit God is. Komt God met Zijn recht, dan briest de mens daartegen in; komt Hij met Zijn liefde, dan wordt ook die miskend; en evenzo is het, als God de Heere Zijn voorzienige hand en Zijn wijze regering aan de mens laat zien. Ook dan wil de mens daar niet aan; en als hij dan toch niet ontkennen kan, dat er een macht in de wereld is, die boven de zijne staat, wel, dan moet hij het toegeven, maar dan noemt hij die macht toch in geen geval de voorzienigheid Gods, maar geeft er een naam aan, die het heilig Opperwezen bedoelt opzij te zetten en te verdringen.
Het Noodlot, zo zegt men dan, beheerst de wereld. Er is nu eenmaal een macht in de wereld, waaraan wij niets veranderen kunnen, en die macht zit de mens schier altoos dwars; het gaat anders dan wij zouden wensen; telkens komt er een kink in de kabel; met één streek wordt soms heel ons voornemen weggevaagd en zitten we bij de puinhopen van onze illusies. Welnu, die macht, die verdervende, die lastige macht, dat is dan het noodlot. En de mens doet nu maar het beste, als hij er zich niet te veel van aantrekt! Het is nu eenmaal zó en niet anders. Er is toch niets aan te veranderen of te verbeteren; aanvaardt het dus maar stil, en weest er maar gelaten onder!
Die goddeloze redenering vindt ge nu heus niet alleen in de wereld, die geheel buiten God leeft, maar ge kunt ze ook wel ontdekken in de kringen van godsdienstige mensen. Soms wordt ge getroffen door de „stille onderwerping", waarmee iemand het leed draagt, dat hem of haar overkwam. En alras wordt dan door de omstanders gezegd: „Wat is hij of zij er toch stil onder!" of ook wel: „Wat is hij of zij toch eenswillend met 's Heeren doen!" Maar o, laten we oppassen, dat we niet te spoedig stille gelatenheid aanzien voor het verootmoedigende werk van Gods Geest. Neen, we bedoelen niet, dat ge rechter en oordelaar over uw broederen of zusteren zult zijn; want er kan een door Gods Geest gewerkte eenswillendheid aanwezig zijn, en zorg er dan voor, dat ge Gods werk niet aanrandt. Müaar ten opzichte van uzelf moogt ge wel terdege toezien, dat ge een schikken in het „noodlot", een zeggen: „Er is nu eenmaal toch niets aan te doen!", niet vereenzelvigt met onderworpenheid aan des Heeren heilig bestel.
Het verschil tussen die twee springt terstond in het oog, als ge bedenkt, dat de mens er „wel niets aan doen kan", maar dat hij toch zo graag zou willen, dat hij er wel wat aan doen kon. Ja, kon hij dat, dan zou hij met één handbeweging de loop der dingen wel anders leiden! En daartegenover staat nu het verootmoedigde kind van God. Als hij staart op de gebroken stukken van zijn levensgeluk, en hij mag er de vaderlijke hand Zijns Gods in opmerken, dan zegt hij niet: „Er is nu eenmaal niets aan te doen, anders zou ik wel....!"; maar dan keurt hij Gods doen goed en wijs en heilig, en als hij zelf eens de beslissing in handen kreeg, zou hij zeggen: „Heere! ik wil niet anders dan Gij wilt! Zo Gij het gedaan hebt, is het goed!"
Naast de leer van het Noodlot, staat die van het Toeval en ook die van het Fortuin. Het zijn alle drie zusjes van elkaar. Gaat het tegen zin en wil in, dan heeft het noodlot het gedaan. Gebeurt er iets, dat geen bepaald goed of kwaad is, bijv.
een onverwachte ontmoeting tussen twee kennissen, dan spreekt men van toeval. En loopt het mee in de wereld, verdient men een goed stuk brood, terwijl anderen tobben met werkloosheid, welnu, dan heeft het fortuin hen begunstigd.
Maar de Heere God met Zijn voorzienig bestel wordt niet erkend! Zo komt de vijandschap van het menselijk hart naar buiten, en dat wordt niet anders, tenzij de genade Gods heerschappij over het hart verkrijgt, en er met Manasse in de kerker weer beleden wordt, dat de Heere er wél is, en dat Hij alleen regeert, gelijk er geschreven staat: Toen kende Manasse, dat de HEERE God is!" (2 Kron. 33 : 13, laatste ged.)
Dat voorrecht geve de Heere aan u, mijn lezer of lezeres!
Uw wil geschied'. Uw wil alleen, Als in den hemel, hier heneên; Uw wil is altoos wijs en goed, 't Is Majesteit al wat Gij doet. Dat ieder stil daarin berust! En Uw bevelen doe met lust!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 juli 1958
Daniel | 8 Pagina's