Dc vrouw in het ambt
RONDKIJK
Nu de Synode van de Herv. Kerk met 27—24 stemmen heeft besloten tot toelating van de vrouw in het ambt, willen wij daarover ook een en ander schrijven. We hebben op eigen kerkelijke erf wel genoeg aan ons zelf, om de hand in eigen boezem te steken, wat niet weg neemt, dat wij met belangstelling nagaan, wat er op het terrein van andere kerken plaats vindt. En als wij dan vernemen, dat de vrouw straks in de ouderlingenbank en op de kansel een plaats zal krijgen en men dat nog tracht te staven als zijnde gegrond op Gods Woord, dan kan ons dat niet anders dan zeer bedroeven. Met bewogenheid nemen wij dan kennis, dat de voorstanders het hebben doorgedreven, ondanks de ernstvolle protesten van die predikanten die op de vaste bodem van de Heilige Schrift wensen te blijven staan. Was er een stemming geweest onder de werkelijk meelevende leden en de trouwe kerkgangers in de Herv. Kerk, ons dunkt, dan ware het voorstel geduikeld, omdat de groep die achter de vóórstemmers staat beduidend kleiner is, dan die achter de voorstanders. Het wordt nu wel heel moeilijk voor de Geref. Bondspredikanten en het komt ons voor, dat in de naaste toekomst veel strijd het gevolg ervan zal zijn.
Om over de debatten die er op de Synode gevoerd zijn nog iets te zeggen, heeft men tegenover degenen, die zich op het woord van Paulus in 1 Korinthe 14 : 34 en 35 beriepen (lees het maar eens na) gezegd, dat dit niet behoeft in te houden, dat dit Woord voor onze tijd nog van toepassing is. Men moet dit dus meer in het raam zien van de tijd, waarin Paulus en de Kerk van die dagen leefde! Ja, men gaat zelfs zó ver door te beweren, dat in de beslissing die genomen is de leiding van de Heilige Geest dient te worden gezien. Er is immers voortgang in dat werk m.a.w. de uitspraak van de H. Schrift is niet voor alle tijden en voor alle zaken gelijk. Alsof de H. Schrift dus tegen zichzelf zou zijn en dat men zonder in tegenspraak daarvan beslissingen kan nemen, die dan bovendien nog als het werk van Gods Geest moest erkennen. Van Herv. Geref. zijde verscheen er direct na dit droeve besluit een zeer ernstig commentaar. We laten hier enige Herv. predikanten zelf aan het woord.
Ds. Vroegindeweij schreef in het „Geref. Weekblad": de beslissing van de synode om de ambten open te stellen voor de vrouw, noemen wij ronduit „een jammerlijke beslissing". Toen het bericht ons bereikte, waren we verslagen.
De Herv. kerk is een planting Gods en haar belijdenis is door het bloed der martelaren bezegeld. En van die belijdenis wijkt men steeds meer af. Men heeft thans het Woord Gods tot een menselijk boek gemaakt. Men spreekt van de H. Geest, maar leent het oor aan de tijdgeest. We kunnen hieruit niet anders verwachten dan doorgaand verval. Het verlangen om de vrouw tot de ambten toe te laten is niet gekomen uit de kringen van hen, die de Heere vrezen. Het trouwe kerkvolk zal thans in een hoek gedreven worden, misschien wel de kerk uitgedreven.
Naast een jammerlijke beslissing, acht ds. Vroegindeweij het ook een onschriftuurlijke en een onkerkelijke beslissing.
In „De Waarheidsvriend" schreef ds. W. L. Tukker van Rotterdam dat de aanneming van deze voorstellen voor hem volkomen onverwacht is, daar men hem in de laatste besprekingen op hoog kerkelijk niveau verzekerd had, dat deze zaak wel op de lange baan zou geschoven worden. De adviseur prof. Miskotte die persoonlijk „pro" is doch „contra" zou geadviseerd hebben, uit respect voor principes der tegenstanders, was verhinderd ter Synode te komen. In zijn plaats trad Prof. Rasker op, die hevig „pro" adviseerde.
Het is voor mij, aldus ds. Tukker, de zwaarste dag van mijn leven geweest, (curs. van ons Red.) Persoonlijk heeft schrijver het voornemen gehad bij aanvaarding uit de kerk te treden, doch gedreven door de telkens opwakende hoop werd in de Jacobikerk te Utrecht, waar de Geref. Bond onlangs in bidstond bijeen was, verklaard, dat de Geref. Bond de kerk niet zou verlaten. Deze hoop is thans volkomen de bodem ingeslagen. Hierdoor is ook, aldus ds. Tukker, kerkelijk gezien een voornaam doel van mijn arbeid weggevallen, nl. de afgescheidenen te bewegen terug te keren tot de oude Vaderlandse kerk. Deze is thans in haar bestuurlijke vorm een Remonstrantse kerk. Wij hoorden, aldus ds. Tukker, dat de voorstemmers elkander feliciteerden met de uitslag der stemming, maar deze feliciterende voorstanders zullen er wel niet aan denken een leefmogelijkheid voor de tegenstanders te maken."
Ds. W. L. Tukker heeft naar aanleiding van dit Synode-besluit bedankt als lid van het college van visitatoren-generaal.
Wat die „leefmogelijkheid" betreft voor de Geref. Bondspredikanten en rechts-Confessionelen, daarover lazen we een en ander in de Herv. Kerkbode van Rijssen. De schrijver, ds. van Tuyl, die zelf niet van plan is het ouderlijk huis te verlaten, meent, dat de gedachte van zo niet allen dan toch van bijna allen zal zijn, om niet af te scheiden. „En dus buigen voor menselijke inzettingen, inplaats van voor de Goddelijke? Dat zullen we niet!" zo schrijft hij.
Maar dan zullen zich conflicten voordoen. Ja, en dan is daar de synode aansprakelijk voor. De synode ziet die bui blijkbaar groeien, want zij heeft op 3 juli een „Herderlijke brief" gericht aan de vergaderingen der kerk en aan de gemeenten. Zij spreekt daarin opgewekt van de „vreugde bij velen in de kerk."
Zij spreekt gevoelvol van „de vele" anderen, die met grote teleurstelling en verdriet ervan kennis hebben genomen en nu in gewetensmoeilijkheden zullen verkeren."
U ziet, de synode wil blij zijn met de blijden en wenen met de wenenden. Ik weet niet, of men hier het één wel in oprechtheid kan doen, zonder het ander te veinzen.
Het eerste acht ik voor de hand liggend, het tweede verraadt een zekere ongerustheid en vrees voor allerlei moeilijkheden. Daarom vervolgt de synode-brief: „Bij de synode leefde het besef, dat wij degenen, die zich in kerk bezwaard zullen gevoelen, zoveel als mogelijk is tegemoet komen, opdat hun zijn-in-de-kerk niet meer beladen wordt dan nu nodig is". En vervolgens: „De synode spreekt de wens uit, dat van de nieuwe mogelijkheid met grote wijsheid gebruik zal worden gemaakt, zodat de bezwaarden zoveel als mogelijk is worden ontzien..." Dan geeft de synode nog enkele adviezen om moeilijkheden te voorkomen.
Prof. Severijn heeft in „De Waarheidsvriend" van 3 juli al geschreven, „dat de synode met verzachtende maatregelen zou komen, zij daarmee zichzelf oordeelt en de ernst der orthodoxe geloofsovertuiging miskent", (door namelijk te menen, dat de tegenstanders wel weer stil zullen zijn als men ze maar iets tegemoet komt).
En ten besluite zegt hij, dat de synode zichzelf in een moeilijke positie heeft gebracht. Want wat moet zij nu?
Zij kan twee dingen doen. Zij kan van alle bezwaarden onvoorwaardelijk gehoorzaamheid eisen aan de nieuwe bepalingen, of hun recht beschermen om kerkelijk naar de belijdenis te kunnen leven. Doet de synode het eerste, dan zal zij de verwarring steeds groter moeten maken. Doet zij het tweede, dan zou dat een gewichtige stap kunnen zijn in de richting van een vreedzame oplossing der kerkelijke vragen, die thans moeilijker zijn dan ooit, aldus Prof. Severijn. Het komt mij voor, dat de synode, blijkens haar brief, op het laatste aanstuurt."
Tot zover ds. van Tuyl.
Ds. v. d. Ent Braat te Elspeet deelde in zijn kerkbode mede. in tegenstelling tot een ander bericht, dat hij niet van plan is uit de Herv. Kerk te treden, n.a.v. de synodale besluiten inzake de vrouw in het ambt. Hij herinnert hierbij aan het woord van dr. Kohlbrugge: „De dwaling doet scheiden en de scheiding dwalen."
Wij zien uit deze verschillende uitspraken lioe moeilijk het wordt voor die predikanten en ambtsdragers en ook voor de leden, die op de hechte grondslag van Gods Woord en Getuigenis wensen te blijven staan, om in de Nederl. Herv. Kerk te blijven en tóch geen duimbreed te wijken. Dat wordt moeilijk. Ongetwijfeld zal dit tot nieuwe conflicten leiden.
In bestuurlijke vormt komt de Hervormde Kerk in remonstrantse beddingen. Dit moge ons ter harte gaan. Het moge ons bedroeven, dat het snelle afloop wordt als der wateren, met de oude vaderlandse kerk, die weleer, in de tijd der Reformatie, stond als een pilaar en vastigheid der waarheid. Wij zijn er uit afkomstig; ds. Ledeboer heeft toen hij de Herv. Kerk werd uitgeworpen het gevleugelde woord gesproken: „De Hervormde Kerk is onze en God zal ze ons op Zijn tijd wedergeven." Van de vervulling van dit woord lijkt het nu steeds verder af te gaan.
Het is breuk op breuk, scheiding op scheiding — de Kerk des Heeren ligt waarlijk wel verbroken en verscheurd. De Heere mocht Zich Zijner nog eens ontfermen en bijeenbrengen wat waarlijk bijeen behoort. We kunnen soms wel bevreesd zijn, dat de Heere gans en al de kandelaar des Woords uit ons land gaat wegnemen. Leert de geschiedenis der Kerk dit niet? Wat is er van al de gemeenten waar Paulus preekte en waar zóveel zegen gevonden werd, gebleven? Zo zij niet spreken naar dit Woord, het zal geen dageraad hebben. Dat zegt het onveranderlijke Woord van God. Dat geldt ook voor ons.
RONDKIJKER.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 juli 1958
Daniel | 8 Pagina's