Zending in Rhodesia
OP REIS NAAR SCHOTLAND
Laten we nu zien hoe het met Van Woerden ging, toen lüj in Londen bericht kreeg, dat hij naar Schotland moest komen (12e jaargang 110. 22). Dc eerste Schotse plaats, die hij aandeed, was Glasgow, ongeveer 600 km van Londen verwijderd. In deze stad ontmoette hij Ds. Maclean, secretaris van de zendingscommissie. Het spreekt vanzelf, dat hier al dadelijk over zendingsaangelegenheden kon gesproken worden. Bij een ouderling van de gemeente in die stad logeerde hij van maandagavond tot woensdagavond, 's Avonds om elf uur stapte hij op de trein, die hem 's morgens om zes uur in Inverness bracht. In deze plaats bevindt zich het zgn. kerkelijk kantoor van de Vrije schotse kerken. Alle gelden van de collecten uit de gemeenten komen daar terecht; ook die voor de zending, om dan van daaruit gezonden te worden naar de plaatsen waar het nodig is.
In Inverness ontmoette Van Woerden de schoonmoeder van Mr Norman Miller, een van de medewerkers van het zendingsveld te Rhodesia. In de gastvrije woning kon hij al veel te weten komen omtrent het toekomstige arbeidsterrein, voornamelijk door foto's, die de gastvrouw hem liet zien.
Dezelfde dag moest de reis al weer worden voortgezet, verder naar het noorden, naar Strathy, om vervolgens met enkele vrienden naar Nedd te gaan. De plaats Nedd ligt midden in de bergen. De gastheer van Van Woerden was schaapherder over de gemeenschappelijke kudden van het plaatsje. Het is niet nodig, dat de herder cr de hele dag bij is, maar enkele malen per dag gaat hij eens zien of de beesten het goed maken.
Op een van deze tochten ging Van Woerden met de herder mee. Aan weerszijden van een bergweg graasden hoog langs de hellingen de schapen. Eén woord en één beweging met de herdersstaf waren voldoende om de trouwe hond als een pijl uit een boog de steile helling op te doen snellen. Het dier rende over rotsblokken en door struiken om vervolgens uit het gezicht te verdwijnen. Even later werd de hond weer zichtbaar. Vóór hem uit dreef hij een gedeelte van de kudde voorzichtig langs de ongemakkelijke weg. Als het te vlug ging, was een kort bevel van de herder voldoende: de hond ging dan zitten om te wachten op nieuwe bevelen. Sommige schapen waren onwillig en dan moest de hond enkele honderden meters omlopen om het afgedwaalde schaap weer bij de kudde te brengen. Herder en hond werkten voortreffelijk samen.
Op Van Woerden maakte dit een diepe indruk. Wat was er een nauwe betrekking tussen de herder en zijn hond, zelfs op grote afstand. De hond had voortdurend het oog op de kudde en ook op de herder gericht. „Mocht ik ook zo leren werken, " verzuchtte Van Woerden in stilte.
Van Nedd voerde de reis naar Stoer, waar hij zijn intrek nam bij vrienden in een klein huisje in de bergen aan de kust van de Atlantische oceaan. Van een paar honderd meter hoogte gaat de berghelling over in een glooiing van de meest grillige rotsen en dreigende klippen, waartegen de lange rollers van de oceaan donderend uiteenspatten. Wat een machtig schouwspel, de schuimende golven stuk te zien breken op de harde rotsen om dan huizenhoog op te spatten! Op het ontvankelijk gemoed van Van Woerden moest dit alles wel een diepe indruk maken. Onwillekeurig moest hij denken aan de rots Christus, die onveranderd is blijven staan in het midden van de rollende golven: golven van Gods toorn tegen de zonde; golven van verzoekingen van satan. Maar ook aan de andere kant werd hij bepaald bij het
bruisen der zee van Gods verbolgenheid tegen de zonde van degenen, die God niet leren kennen. Die toorn Gods zal nooit ophouden, omdat Christus voor deze de hitte van Gods gramschap niet heeft geblust.
De slotverzen van Jesaja 57 kwamen Van Woerden voor de aandacht: „Doch de goddelozen zijn als een voortgedrevene zee, want die kan niet rusten, en haar wateren werpen slijk en modder op. De goddelozen, zegt mijn God, hebben geen vrede."
Toen het eb was en hij verder naar beneden kon afdalen, ontdekte hij, dat het daar een en al leven was: honderden soorten schelpen zaten zó vast aan de rots gezogen, dat hij ze er niet kon afbreken. De schaaldieren leken wel één geheel met de rots te zijn. Ze waren verschillend van vorm, van kleru* en van grootte, maar één ding hadden ze gemeen: de rots bood de schelpdieren een veilig houvast tegen de beukende golven. Het deed hem denken aan Christus en Zijn kerk: zonder de rotssteen Christus zou het voor de kerk in de woedende zee van vervolging en verdrukking niet mogelijk zijn staande te blijven.
In het plaatsje, zo dicht bij de grote zee, werd Van Woerden verzocht een dienst te leiden. Na veel zuchten mocht hij met enig licht spreken over Efeze 5 : 8 „Want gij waart eertijds duisternis, maar nu zijt gij licht in de Heere."
Nu moest de reis gemaakt naar Applecross, een schiereiland dicht bij het eiland Skye, ook aan de westkust. Onderweg werd een kort bezoek gebracht bij de moeder van Ds. Fraser, de enige blanke predikant van het zendingsgebied in Rhodesia en de toekomstige leermeester van Van Woerden. De hartelijke vrouw toonde zeer mee te leven met het werk van haar zoon en met alles wat met de uitbreiding van Gods Koninkrijk in verband staat.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 juli 1958
Daniel | 8 Pagina's