De Nadere Reformatie
VII.
Kenmerken-p re diking
Er bestaat een nauwe betrekking tussen de eis der wedergeboorte en de aandrang op zelfonderzoek.
Het gaat immers om de grote vraag of men nog geestelijk dood is óf geestelijk leeft, of men nog in de staat der zonde ligt óf overgegaan is in de staat der genade.
JSTu zijn er mensen, die slechts een gedaante of een schijn van godzaligheid hebben en er zijn andere mensen, die wedergeboren zijn, maar weinig duidelijke tekenen van geestelijk leven vertonen. „De onwedergeborene op zijn best en de wedergeborene op zijn slechtst" lijken sterk op elkaar! Het is dus nodig in zielszorg en prediking goed onderscheid te maken. Enerzijds moet aangetoond worden, hoever een mens kan komen met Schriftkennis, plicht-en deugdbetrachting, zonder genade te hebben. Anderzijds moet gezegd worden, dat er bij veel duisternis, armoede en gebrek
tóeli genade kan zijn. Onze vaderen wisten de algemene en de bijzondere werking van de Heilige Geest goed te onderkennen om op die wijze de huichelaars te ontdekken en te overtuigen en de ware gelovigen te onderwijzen en te vertroosten. Een groot aantal werken in deze geest hebben we aan de Nadere Reformatie te danken, Ik noem slechts: „De trappen des geestelijken levens" van Theodorus a Brakel; „De eigenschappen des geloofs" van Alexander Comrie; „De Toetssteen van ware en valse genade" van Theodorus van der Groe, welke voorbeelden met vele andere te vermeerderen zijn.
Deze zogenaamde „kenmerken-prediking" is voor de tegenstanders van de bevindelijke waarheid altijd een steen des aanstoots geweest. Subjectieve maatstaven zouden zijn aangelegd, die de hoorders óf tot hoogmoed, óf tot onverschilligheid óf tot wanhoop voerden. Wie zo redeneert, diene te beseffen, dat de Nadere Reformatie met haar kenmerken-prediking op Schriftuurlijke basis staat en niets anders wil, dan wat de Reformatie gewild heeft. De aandrang op zelfonderzoek is volkomen Schriftuurlijk; we verwijzen slechts naar Zephanja 2 : 1: Doorboekt uzelf nauw" en naar Corinthe 13 : 5: Onderzoekt uzelf of gij in het geloof zijt, beproeft uzelf, "
Ook de Dordtse Leerregels noemen een aantal kenmerken des Geloofs in hoofdstuk I, artikel XII: „Van deze hun eeuwige en onveranderlijke verkiezing ter zaligheid worden de uitverkorenen te zijner tijd, hoewel bij onderscheidene trappen en met ongelijke mate verzekerd; niet als zij de verborgenheden en diepten Gods nauwkeurig onderzoeken, maar als zij de onfeilbare vruchten der verkiezing in het Woord van God aangewezen (als daar zijn: het waar geloof in Christus, kinderlijke vreze Gods, droefheid naar God over de zonde, honger en dorst naar de gerechtigheid, enz.) in zichzelf met een geestelijke blijdschap en heilige vermaking waarnemen."
We zagen reeds, dat op de Dordtse Synode de wens werd uitgesproken dat de theologische studenten onderricht zouden krijgen in „verscheyde gevallen, de consciëntie aangaande." Voetius riep op 20 augustus 1634 in zijn afscheidspreek van Heusden de gemeente toe: „Ghij, die de verschillen in de religie weet te ontleden tot de minste stucken toe, hoe en ontledet ghij u eyghen consciëntie niet? "
Onze Gereformeerde vaderen waren geen mensen, die altijd met een meetsnoer rondliepen om de bekering van anderen na te meten. Maar ze waren wel geestelijke psychologen, die de bewegingen van de menselijke ziel tot in bijzonderheden hebben bestudeerd. Ze wisten dat er veel gevoel was zonder geloof, maar ook dat het echte geloof niet zonder gevoel is. Maar ze hebben zich wel laten leiden door het Woord en het gevoel op de tweede plaats gesteld, omdat ze zeer goed wisten, dat een Schriftuurlijk-bevindelijke prediking niet bestaat in een weergave van de bevinding der heiligen, maar in het aandacht schenken aan het toepasselijk werk van de Heilige Geest, Die immers nooit werkt buiten het Woord om! Niet voor niets spreekt het boven geciteerde artikel XII van vruchten der verkiezing, in het Woord aangewezen! Laat men dat los of stelt men het op de tweede of derde plaats, dan loopt men gevaar, dat de zaligheid wordt afgeleid uit een aantal min of meer willekeurige kenmerken. De Dordtse Leerregels noemen dan ook als eerste en voornaamste kenmerk: een waar geloof in Christus.
Di oefheid naar God, honger en dorst naar cle gerechtigheid kunnen daarbij niet gemist worden, maar het enige fundament der zaligheid is Christus.
In cle klassiek-Gereformeerde periode (Calvijn, Beza, e.a.) ligt de heilszekerheid vast in het getuigenis van Woord en Geest. „Deze Geest (d.i. de Heilige Geest) getuigt met onze geest, clat wij kinderen Gods zijn." (Rom. 8 : 16). En de 17de eeuwse theologen hebben dat meestal wel goed begrepen. Maar hoe verder we van de Reformatie verwijderd raken, hoe subjectiever cle normen worden. Ook hier geldt: Hoe dichter bij de bron, hoe helderder het water."
De 18de eeuwse Piëtisten hebben weleens uit het oog verloren clat de kenmerken slechts een hulpmiddel, zijn om waar geloof op te sporen, en nooit tot een grond des geloofs mogen worden gelegd. Zonder het zelf te beseffen hebben sommigen van hen de objectiviteit van het Woord vervangen door de subjectiviteit van de ervaring en het gevoelsleven in de plaats gesteld van het geloofsleven. Het gevolg is, clat niet de Christus en Zijn werk in het middelpunt komt te staan, maar cle Christen en zijn bevinding. De Heilige Geest en Zijn werk in de zondaar krijgt dan wel nadruk maar.... ten koste van Christus en Zijn werk vóór de zondaar.
Dat vindt z'n oorzaak allereerst in een verschraling van het geloofsleven. In een gemeente met veel geestelijk leven zal men allicht andere maatstaven aanleggen, clan in een gemeente waar alles dor en doods is. Maar we moeten niet vergeten, dat de 18de eeuw, ook op het gebied van de kunst, de tijd van de Romantiek is, de tijd, waarin het gevoel z'n rechten opeist. In de literatuur en in de muziek wisselen de stemmingen snel. Nu eens is men „himmelhoch jauchzend", dan weer „zum Tode betrübt." Dat opkomende gevoel heeft ook cle kerk en cle theologie niet onberoerd gelaten.
Op één zaak willen we nog wijzen. Er zijn heden-tendage nog mensen die — terecht! — hoog opgeven van de kenmerken-prediking van de „oude schrijvers", omdat deze zo ontdekkend was voor cle schijngelovigen. Doch dit is slechts één aspect. Onze vaderen bedoelden met hun „casuïstiek ook, de bekommerden en cle kleingelovigen te onderwijzen en te vertroosten. Wie dat laatste uit het oog verliest, heeft
Wie dat laatste uit het oog verliest, heeft de Nadere Reformatie maar voor de helft begrepen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 april 1958
Daniel | 8 Pagina's