Kerkelijk besef
(18).
Met de briefschrijver uit Meliskerke onderstreep ik, dat juist onze J.V.'s en M.V.'s een grote taak hebben in het bijbrengen van kerkelijk besef bij onze opgroeiende jeugd. Hij constateert terecht, dat de opwekking om zich meer daarop te gaan concentreren bewijst, dat er op vele verenigingen iets niet in orde is. „Een vereniging, die zijn taak juist verstaat, heeft altijd dit onderwerp (al is 't onder 'n wat andere naam) op z'n agenda staan." Een vereniging, die alleen inleidingen houdt op het gebied van de Bijbelse en de Kerkgeschiedenis (en van de zendingsgeschiedenis misschien ook nog wat, zo te hooi en te gras!) schiet zeker te kort. Dan staat men verder overal naast.
Nu kan men tegenwerpen: „Maar als je de gehele kerkgeschiedenis als vast agen-
dapunt hebt, kom je uiteindelijk toch ook bij de geschiedenis van eigen kerk en van de andere kerken? " Zeer juist is zijn opmerking, dat de vereniging, die begint bij de eerste Christengemeenten, pas na 10 k 15 jaar toe is aan de kerkgeschiedenis van eigen tijd. Dan rijst vanzelf de vraag: hoeveel (hoe weinig!) meisjes en jongens, die bij liet begin van de behandeling der kerkhistorie op de vereniging waren, zullen er na 10 a 15 jaar nog op zijn? M.a.w.: die krijgen dus nooit iets te horen over de eigentijdse geschiedenis met alle daaraan verbonden kerkelijke situaties en vragen! Iedereen zal inzien, dat dit dan ook radicaal fout is.
Ik hoop, dat deze probleemstelling veler ogen hiervoor zal doen opengaan; dat men in de verenigingsbesturen en in de ringbesturen zich eens grondig gaat bezinnen hierover. Van harte wens ik, dat door dit punt aan de orde te stellen, vele vragen zullen omhoogschieten, zoals o.a. deze: „Wil Kerkman soms de oude kerkgeschiedenis gaan verwaarlozen en plompverloren ineens met de nieuwste K.G. beginnen"' „Wilt u er soms met grote sprongen door heen gaan? " Neen, meisjes en jongens, Kerkman wil, dat alles (dus ook dit!) ordelijk (volgens 'n vaste lijn) geschiedt. Kerkman weet net, zoals jullie dat weten kunnen, dat kennis van het heden slechts moegelijk is door kennis van het verleden. Stukken overslaan of er met zevenmijlslaarzen doorheen vliegen, is zeker niet de methode om onze jeugd systematisch des Heeren genade en grote daden, aan Zijn Kerk in vroeger eeuwen bewezen, te leren zien. Maar volgens mij is er 'n andere en betere weg. Als we de aanvangsleeftijd, waarop de jeugd capabel is, de m.v. en j.v. binnen te treden, op 15 a 16 jaar stellen, moet het mogelijk zijn om de hele K.G. in 4 a 5 jaar door te nemen, zodat ieder lid, voordat zij of hij de vereniging verlaat, de hele geschiedenis (ook die van de jongste tijd) gehad heeft. Want 'n vijf-of zesjarig lidmaatschap is toch wel het minimum aan jeugdvorming, dat we eisen mogen voor iedere jeugdige. Welnu, deel de K.G. in volgens 4 tijdvakken: de Oude Gesch., de Middeleeuwen, de Nieuwe en de Nieuwste Kerk Gesch., dan spelen we het in 4 a 5 jaar glansrijk klaar. De M. E. Kerkgesch. eindigt zo ± 1500, de Nieuwe K.G. bevat de Reformatie, de Nadere Reformatie en de gehele 18e eeuw. De Nieuwste K.G. vangt aan na de Franse Revolutietijd (± 1816) en bevat vanzelf de Afscheiding, de Doleantie en (niet te vergeten!) de kerkgeschiedenis der 20e eeuw. Wat de Reformatie en de Nadere Reformatie betreft, wil ik er op wijzen, dat wij — in onze kring — vooral het accent op het Reformatie-tijdvak moeten laten vallen. De Nadere Reformatie, hoe belangrijk ook voor onze gemeenten (en voor de andere kerkgroepen!), is niet te begrijpen en te waarderen, als wij ons niet eerst heel, héél terdege verdiept hebben in het veel grotere èn grootsere tijdperk der gezegende Reformatie. Reeds de simpele volgorde van „voorgaand" en „volgens" bewijst dit.
Moeten we op onze verenigingen dan met de behandeling van het 4e tijdvak (1816—heden) maar weer wachten tot in het 4e of 5e behandelingsjaar? Absoluut niet. We passen daartoe — en tevens om de vergaderingen aantrekkelijk en de bespreking geanimeerd te maken — 'n combinatie toe: b.v. op de oneven (de le, - 3e, 5e enz.) vergaderingen behandelen we gedurende één vergaderingsseizoen het eerste tijdvak (de Oude K.G.), op de even (de 2e, 4e, 6e) vergaderingen 'n onderwerp uit het 2e, 3e of 4e tijdvak. Daar elke vereniging zijn eigen ideeën en wensen der leden heeft, regelt men de combinatie van tijdvakken, zoals men zelf wil.
De vriend uit Meliskerke heeft nog 'n opmerking, eveneens van gewicht voor onze rubriek, die poogt het liefdevuur voor eigen kerk bij onze jeugd te doen ontvonken. Verkort weergegeven, schrijft hij o.m.:
„In M. is een Geref. Kerk, bijna even groot als de Geref. Gemeente. Begrijpelijk dus veel contact tussen mensen en vooral jongeren van deze twee kerken. Daarom behandelden wij voor enige tijd het onderwerp: „De Geref. Kerken en wij." Voor ons van groot belang: iedere
dag hebben wij daarmee te maken, dan gaat vanzelf het kerkelijk besef spreken." Volkomen begrijpelijk, vriend, en acooord.
In andere plaatsen, waar andere kerkgroepen naast ons staan (b.v. de Ned. Herv. Kerk, de Geref. Kerk (art. 31), de Chr. Geref. Kerk of de Oud-Geref. Gemeenten), zullen ook deze besproken en op waardige wijze behandeld moeten worden. Als 'n jongere verhuist (b.v. van Mjeliskerke naar Apeldoorn), dan dient hij van de andere kerken, die hij in zijn nieuwe woonplaats aantreft, ook het nodige te weten. En dat moet hij niet pas in Apeldoorn gaan onderzoeken, maar daarmee moet hij in Meliskerke al beginnen! Met dit voorbeeld bedoel ik aan te geven, dat elke vereniging eigen kerkelijk standpunt moet confronteren aan het standpunt van de andere kerken (dus niet: van één andere kerk alleen!) Wij komen er nu eenmaal niet, door alleen ons eigen gangetje te gaan en verder ons lioofd diep in het zand te steken voor wat andere kerken zijn en doen. Die bekende struisvogelpolitiek heeft ons zoveel parten gespeeld en doet dit nog. Gevolgen? Laat ik hier onze vriend uit Meliskerke citeren: „Onder ons wordt soms maar al te gauw gezegd: „het is maar 'n neo-Gereformeerde of 'n Chr. Gereformeerde, die dit zegt of dat doet." Verder gaan we gauw over tot de orde van elke dag: wij weten 't alleen, die anderen weten er niets van. Een tweede gevolg? „Als wij tegenover zo'n persoon komen te staan, staan onze jongeren met 'n mond vol tanden." Waarom? „Omdat men wat hij voor waar houdt, nog nooit bij zichzelf (of met elkaar op de vereniging; of op de catechisatie soms) overwogen en nog minder aan Gods Woord getoetst heeft. En dat andere kerklid staat meestal sterk, OM-DAT ER BIJ HEM WEL EEN VURIG KERKELIJK BESEF LEEFT ! ! !
Tot slot vraagt deze vriend opgave van bronnen voor de verenigingen, te gebruiken voor inleidingen over kerkelijk besef. Daar er meer verenigingen zijn, die dit vroegen, hoop ik het volgende artikel hieraan te wijden.
KERKMAN,
p.a. Adm. „Daniël", R. van Catsweg 244a, Gouda.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 maart 1958
Daniel | 8 Pagina's