Naar het eind der tijden
Het spreekt haast vanzelf, dat schrijvers, die over de laatste dingen schrijven, beelden en zinswendingen gebruiken uit de Heilige Schrift. Welk Boek spreekt er anders zo duidelijk en zo zeker van het laatste der dagen? Het beeld van de wijnpersbak wordt gebruikt door Martien Beversluis in „Chimaera's" (vuurspuwende monsters):
De wijngaard van de wereld is rijk en bezwaard van welige trossen. Maar werp ze in de pers en treedt om van dit bloed u te verlossen. Aanzie het stroomt over de aarde. Het zoet werd bitter bij het treden. Het bloed, van Bethlehem tot heden reikt tot de tomen van de paarden. Aanzie! De sikkel zend ik neder. En alle oogst valt af en dort o wereld! deze wijnpers wordt in al uw Staten getreden.
De hele wereld zal het ondervinden; geen land zal uitgesloten worden: in al uw Staten! Geen wereldstad zal het ontkomen:
Wee over U! Gij zijt gevallen! o volk van Babel en Sodome. Parijs—Moskou—Berlijn of Rome, het kwaad gevogelte op uw wallen leeft! En het oordeel is gekomen.
Vliegt over de wereld, gij getallen van monsters, zetelend in de geest van dit godlasterende beest, de mens — tot deze staat vervallen. Vliegt uit en klampt u vast aan dezen, de dierlijken, dat zij het weten, wij zijn ten dode aangevreten door zonden, uit ons zelf verrezen.
Hoe zal het in die tijd zijn? Zoals het Woord Gods ons tekent: etende en drinkende, als in Noachs dagen. J. A. Rispens schrijft in „Ora pro nobis" (bid voor ons):
De mensheid, als in Noachs dagen Leeft naar haar lust en welbehagen En volgt haar luim; Men ziet de levensdroom verflitsen, Als aan de brandingsgolvenspitsen Het vluchtig schuim.
De wereld ijlt, door zon en regen, Haar onverbiddelijk einde tegen; Rumoeren slaat Uit dancings, bars en tingeltangels, Tot ze, op 't bazuinen des archangels, Brandend vergaat.
Wanneer alles brandende vergaan zal, breekt het grote Jubeljaar aan voor de vrijgekochten des Heeren. Dat inspireerde Jan Ietswaart tot „Geloofslied voor de laatste dagen" in zijn bundel „Het gedroomde leven". Het is een opbeurend lied voor de kinderen Gods, om nu de hoofden op te heffen, wetende dat de verlossing nabij is:
Dit licht zal door het duister gaan En u al blijde maken, Waar dat gij, kind van God, zult staan Geen nood zal u genaken. Straks breekt het laatste duister aan Maar Hij zal met u gaan.
Hij komt, Hij komt, de Bruidegom; Laat onze lampen branden. O, allen, die van Christus zijt, Slaat samen uwe handen. Wij treden na een weinig strijd In Zijne heerlijkheid.
Van die heerlijkheid heeft Johannes op Patmos een weinig mogen zien, toen hem een blik werd vergund in het Nieuwe Jeruzalem. In „Gebed zonder grens" van Lidy van Eijssel-
steijn staat een gedicht met het opschrift: Johannes op Patmos. Hierin lezen we:
Het kleine Patmos, waar Johannes droomde, waar bevend hij de nieuwe hemel open zag, waar schrik en vreugde in hem samen stroomden tot hij verrukt een nieuwe morgen zag, een nieuwe hemel, en een nieuwe aarde .... Want al het oude was voorbij gegaan. En voor zijn oog is kostelijk en klaar de glans van het nieuw Jeruzalem ontstaan. Zijn verre stem zoekt aarzelend naar woorden. De schoonste zijn hem nog niet schoon genoeg! De hoge stad met hare paarlen poorten, stad zonder tempel, die geen licht behoeft, want God is haar ten zon en maan en tempel, Zijn heerlijkheid haar kristallijnen licht, Geen dood noch rouw betreden deze drempel: God zelf wist daar de tranen van 't gezicht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 maart 1958
Daniel | 8 Pagina's