Kerkelijk besef
(17).
In volgorde van ontvangst wil ik de binnengekomen correspondentie nu eerst behandelen. Iedereen komt dus aan de beurt. Omdat het 'n hele tijd geleden is, dat ik de eerste serie brieven beantwoord heb, moet ik nu vanzelf 'n grotere stapel afwerken. Dat geeft niets, want — zoals bekend — deze rubriek is er speciaal om het onderling contact te leggen èn te verstevigen. Iedereen kan vrijuit z'n mening schrijven, mits de vragen liggen op 't terrein van de rubriek; de Kerk-en onze jeugd. Deze restrictie moet er noodzakelijk bij.
Vooraf m'n dank aan al diegenen — jongeren en ouderen —, die hun reacties mij deden toekomen. Deze reacties stel ik zeer op prijs. De meeste briefschrijvers spreken openlijk hun waardering uit, dat eindelijk de vragen rondom ons kerkelijk besef behandeld worden in ons jeugdblad. „Waarom moeten wij dit toch zo lang ontberen? " vroegen velen. Anderen schreven: „Laten we hopen, dat mede door het door u aangevangen gesprek wij uit de mist, die soms zeer zwaar en laag hangt op dit gebied, mogen geraken en wij duidelijk en klaar onze eigen kerkelijke opinie, ons standpunt als kerkgroep, naar voren zullen zien treden." Als ik deze en andere soortgelijke hartekreten lees, kan ik niet anders dan er me geheel bij aansluiten en slechts het woord uit Nehemia's mond er bij voegen: „Laten we ons opmaken en bouwen en God van de hemel zal het ons doen gelukken."
Niet alleen ben ik zeer erkentelijk voor de blijken van instemming, die ik ontving, maar evenzeer voor de daarmee vergezeld gaande wensen om dit werk ten nutte van onze gehele jeugd toch vooral voort te zetten en zo enigszins mogelijk uit te breiden. Beste lezers en lezeressen, als de Heere ons de gelegenheid laten wil, hoop ik aan uw dringend verzoek te kunnen voldoen en begeer daartoe van Hem de daarvoor benodigde wijsheid en kracht. Een ouderling, tevens nauwgezet scriba van één onzer kerken, deed mij juist deze week nog 'n speciaal verzoek met betrekking tot deze rubriek toekomen, maar omdat zijn brief één der laatst binnengekomene is, wil ik hem vragen, even geduld te hebben, totdat ik zijn brief beantwoord.
Bij het bestuderen van de correspondentie heb ik voor mezelf even n vlugge becijfering gemaakt. Ik denk, dat iedere lezer wel nieuwsgierig zal zijn naar deze berekening. Zij betreft het geleverde aandeel van de jeugd en van de ouderen, die uit belangstelling naar ons jeugdwerk medelezers van „Daniël" zijn, in de ontvangen correspondentie.
Welnu, zo goed mogelijk getaxeerd (ik kan me vanzelf 'n enkele maal vergist hebben in de leeftijdsschatting van 'n schrijver; dit is soms uit de brief of het handschrift niet op te maken), is — globaal genomen — 65% van ouderen en 35% van jongeren afkomstig
Laten we allemaal deze cijfers eens op ons inwerken? Daarna moge dan iedereen zich afvragen: hoe komt dit? Hoe kan dit veranderen? Hiermee bedoel ik niet 'n verandering in de correspondentie, maar in het gesignaleerde verschijnsel!
Een lezer uit Boskoop stelde een aantal vragen, maar helaas zijn ze niet alle voor brede beantwoording vatbaar, omdat ze deels de kerkelijke tucht, deels de traditionele kerkelijke practijk raken. Ik kan — daar ze niet het kerkelijk besef raken — daar dus niet op ingaan. Wel raad ik u een goede, verklarende uiteenzetting te lezen van art. 74 en 75 der D.K.O.; daarin zult u voor uw gedachte omtrent deze zaken een verhelderend en bevredigend antwoord aantreffen. Wat uw vragen over sommige kerkelijke tradities betreft, wijs ik u erop, dat deze door u genoemde gewoonten plaatselijk èn landelijk geheel verschillend zijn. Als ik zo in onze gemeenten kom, merk ik, dat men het op de ene plaats wèl en op de andere plaats niet meer doet. Laten we hier geen principe achterzoeken of van gaan maken, want dit is het beslist
niet. U zult moeten toestemmen, dat het van heel, heel ondergeschikt belang is. Uiteindelijk zal het gewone nuchtere standpunt wel in algemener gebruik komen. Ouderwetse uitwendige vormen raken niet het wezen van de kerk. We doen goed, ons te houden aan de belangrijke dingen. Onder de door de aangeduide categorie mensen zijn er, die het door u genoemde in hun bezit hebben. De vrijheid èn de vrijmoedigheid worden wel eens gemist. Maar laten wij elkaar de gepaste vrijheid in deze gunnen, dan komt het vanzelf in orde. Het betreft immers middelmatige zaken, waaraan de kerk der Reformatie zelfs niet dacht (zij hadden belangrijker dingen aan hun hoofd!) en waarover in de bloeitijd der kerk ook geen onenigheid was.
Uw slot-vragen over de neo-gereformeerde verbondsopvatting kan ik misschien beter even bewaren, totdat ik in deze rubriek de kerk der Doleantie belichten wil.
Voor vandaag moet ik weer eindigen. Voortzetting der beantwoording in het eerstvolgende artikel, Deo volente. Tot over 14 dagen dan, hoopt
KERKMAN,
p.a. Adm. „Daniël", R. v. Catsweg 244a, Gouda.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 maart 1958
Daniel | 8 Pagina's