JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Gewerkt zolang het dag was

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Gewerkt zolang het dag was

5 minuten leestijd

Voor de drie gevangen jongens zag het er donker uit. Het is te griezelig om te vertellen wat ermee werd gedaan. Mackay en zijn vrienden Ashe stonden machteloos tegenover de bende krijgslieden, die de jongens meevoerde naar de plaats van terechtstelling. Musaji, de kapitein van de lijfwacht, riep: „Je kent Jezus Christus! Je gelooft, dat je uit de dood zult opstaan. Ik zal je verbranden en we zullen zien of het zo is." Musaji was een Mohammedaan, dus kunnen we zijn woede wel begrijpen. Eén van de jongens poogde de wrede man tot inkeer te brengen en riep: „U gelooft in Allah, de genadige. Wees ons genadig!" Musaji liet de jongen roepen en het verschrikkelijke ging gebeuren. £n toch uit de rook en vlammen kwam een sprake Gods, dat de Heere niet verlaat tot in de dood, want uit het laaiende vuur klonk het zingen van de jeugdige martelaren: „Dagelijks, dagelijks zingen voor Jezus, Zing, mijn ziel, Zijn Naam ter eer."

Hoe bedroefd was Mackay, maar wat moest hij doen? Een flinke christenjongen ging naar de koning om te smeken, toch op te houden met deze wreedheden. De jongen kreeg geen antwoord, maar niet lang na het verzoek werd de koning ziek. En wie kreeg de schuld? De dappere jongen, die voor zijn vervolgde makkers gepleit had bij de vorst. De arme jongen werd gegrepen en hetzelfde lot als het drietal moest ook hij ondergaan.

Niet lang daarna ontlastte zich boven de residentie een hevig onweer. Het gebouw van de koning weid door een bliksemstraal getroffen en het rieten geval brandde tot de grond toe af. De koning was ongedeerd, maar werd waanzinnig van woede. Ook die brand was de schuld van de christenen. „Grijpt de christenen en verbrandt ze!" riep hij in dolle haat uit.

Het bevel werd opgevolgd en ruim veertig mannen en jongens werden gegrepen en ter dood gebracht.

„De boeken van Jezus mogen nooit meer worden gelezen!" beval de krankzinnige vorst. Hij bedoelde de evangeliën, die door Mackay vertaald en gedrukt waren en die in steeds groter getale werden verspreid.

Men zou denken, dit er geen christenen meer zouden overblijven, maar het aantal groeide gestadig. Naar alle delen van-het land werden de christenen opgejaagd, bang voor de vorst, die geen verstand meer had en die tot het vreselijkste' in staat was.

Mackay wist en begreep, dat die verstrooide mensen getroost moesten worden om staande te blijven. Ijverig werkte hij om in de taal van het land een brief te schrijven en die te drukken. Zijn volgelingen zouden die brief dan in de verstrooiing kunnen lezen. Er stond ondermeer in: „In vroegere dagen werden de christenen gehaat, vervolgd, verdreven en gemarteld om Jezus' wil, en zo is het vandaag nog. Geliefde broeders, verloochent onze Heere Jezus niet!"

Op den duur was er met de koning niet meer te leven. Zijn eigen volk kwam in opstand en zette de krankzinnige van de troon. Als een balling zwierf hij bij het meer. Daar was Mackay aan het werk en wat deed de witte man van het werk? Hij bood de afgezette vorst onderdak aan. Dat is de naastenliefde, waarover de Heere Jezus zo schoon heeft gesproken: „Bid voor degenen, die u geweld aandoen!"

Twee jaren na het afzetten van de koning, was Mackay begonnen een nieuwe boot te bouwen. Vanaf de zuidkant van het meer zou hij proberen andere dorpen te bezoeken om daar te spreken over het heil, dat in Christus is. Helaas, dat werk mocht niet ten uitvoer worden gebracht. De moedige, ijverige man kreeg koorts, die niet afnam. De witte man van het werk bezweek in de bloei van zijn leven, slechts 41 jaren oud. Ver van zijn vaderland, in het hart van Afrika, moest hij zijn leven eindigen, dat nog zo vele jaren had kunnen verlengd worden. God had anders besloten.

In dat korte leven had Mackay gewerkt in geloof en met volharding. En de resultaten van zijn arbeid? Dat weet de Heere op het volmaaktst. Wat wij, mensen, zien is haast onbegrijpelijk: in 1937 was er een dankstond in de kerk op de Kampalaheuvel. Toen werd de Heere de dank toegebracht voor de wonderen van Zijn genade. Het was toen zestig jaar geleden, dat Mackay de kerk, al was die nog zo klein, had gesticht. Nu waren er duizenden mannen en vrouwen bijeen, als getuigen, dat de Heere het geringste kan zegenen, en dat het mosterdzaad kan uitgroeien tot een grote boom.

Vier jaren daarvoor was Apolo in Uganda gestorven. Deze Apolo was een leerling van Mackay. Hij was de grens van Uganda overgetrokken en het donkere oerwoud ingegaan. Daar had hij het werk van zijn leermeester voortgezet onder zwervende stammen en dwergvolken. In vele gevaren had hij verkeerd, want de mensen in die oerwouden hadden vergiftige pijlen. Maar Apolo had volgehouden, door goed en kwaad gerucht, omdat één zaak hem dreef: de liefde tot God en daar kon hij niet van zwijgen.

De laatste woorden in Mackay's dagboek luiden: „Was het de moeite waard? ''

Dat is echt het verachten van eigen krachten en dat wordt enkel op Jezus' school geleerd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 maart 1958

Daniel | 8 Pagina's

Gewerkt zolang het dag was

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 maart 1958

Daniel | 8 Pagina's