De Nadere Reformatie
(III)
Reformatie in het leven
Even oppervlakkig als het grootste deel van de bevolking de Gereformeerde leer had aangenomen, even slordig waren levenswandel en levensstijl.
Onder de eenvoudige plattelanders was het bijgeloof in het geheel niet uitgeroeid. De doden werden naar Rooms gebruik en bij voorkeur op zondag begraven; men ging uit de kerk naar de herberg en men vierde met de Roomsen de Driekoningenavond en het Carnaval. De deftige burgers en de rijke kooplieden baadden zich in de weelde (Gouden Eeuw!) en waren niet van plan, zich door de strenge Calvinistische predikanten de wet te laten voorschrijven. Wel gingen ze 's zondags ter kerk, wèl lieten ze hun kinderen dopen, ze deden belijdenis en kwamen minstens één keer per jaar aan het Avondmaal, maar dat alles was een vorm zonder inhoud.
De regering — die lang niet bestond uit voedsterheren en zoogvrouwen van de Kerk! — wendde z'n invloed in kerkelijke zaken slechts aan, als het aankwam op het beroepen van predikanten. Dan oefende ze pressie op de kerkeraden om gematigde figuren te kiezen, van wie ze zo weinig mogelijk last zou ondervinden! Talrijk zijn de conflicten tussen ambachtsheren en kerkeraden in de 17de en 18de eeuw. En de strenge Voetianen (denk aan Lodenstein, Brakel en Comrie) waren bij de Overheid meestal geen „persona grata".
Met vele predikanten was het echter niet beter gesteld. Het aantal van hen, die een open oog hadden voor het verval en opriepen tot boete en bekering, was ver in de minderheid. Dikwijls kwamen ze uit de lagere volksklassen en hadden ze het ambt gekozen, óf omdat hun ouders het wensten, óf omdat ze eer en aanzien onder de mensen wilden verkrijgen. Reeds in hun studententijd zag men velen van hen meer in de kroeg dan in de kerk en op de colleges, vanzelfsprekend zeer tot schade van de studie. Waren ze tenslotte door de examens gerold en ergens predikant geworden, dan zaten ze het liefst aan de overdadige maaltijden bij de rijke kooplieden. Tijdelijke schorsingen wegens openbare dronkenschap of andere ergerlijke zonden kwamen onder de predikanten nogal eens voor! Om toch de schijn van geleerdheid te bewaren, vermoeiden ze de gemeente met ingewikkelde beschouwingen, doorspekt met vreemde woorden en verhalen uit de Griekse mythologie, terwijl het praktische, bevindelijke element achterwege bleef. De klachten over de gemakzucht, de ontrouw en zelfs over de domheid van predikanten en over de levenswandel van henzelf en van hun gezinnen, zijn talrijk.
Het trieste beeld, dat Jeremia tekent van de kerk in zijn dagen, is ook het beeld van de kerk in ons vaderland in de Gouden Eeuw: Een schrikkelijke en afschuwelijke zaak geschiedt er in het land: e profeten profeteren vals en de priesters heersen door hun handen en mijn volk heeft het gaarne alzo." (Jer. 5 : 30-31)
Nu heeft prof. de Vrijer eens opgemerkt, dat de kerkgeschiedenis voor ons slechts heeft bewaard de namen van de uitblinkers naar twee zijden: de profeten én de zondaars. Er zijn natuurlijk ontelbaar veel predikanten geweest, die gewoon hun plicht deden, maar deze zijn voor het nageslacht vergeten.
Als de Kerk in verval komt, zendt God Zijn dienstknechten om op te roepen tot bekering en bezinning. Het is de grote verdienste van de mannen der Nadere Reformatie geweest dat ze hebben gepleit voor de eenheid tussen leer en leven, tussen belijdenis en wandel. Het was niet genoeg dat men in naam gereformeerd was, en uiterlijk met de waarheid instemde. Het baatte niet, als men de zuivere leer tegen allerlei dwalingen kon verdedigen, zonder de kracht van de waarheid in het hart te gevoelen. Ze hebben gepleit voor een persoonlijke, bevindelijke kennis van de weg der zaligheid, ze hebben opgeroepen tot bekering en geloof in heiliging. Ze stonden geen andere Reformatie voor dan Luther en Calvijn, ze wilden een Nadere Reformatie, niet alleen in de leer, maar ook en vooral in het leven.
Van Lodenstein, de grote profeet van de Nadere Reformatie, sprak niet van de „Ecclesia Reformata" (de Gereformeerde Kerk") maar van de „Ecclesia Reformanda" (de Kerk die Gereformeerd moet worden). In de Utrechtse Domkerk schreeuwde hij het uit: „Ja maar, zult gij zeggen, wij hebben immers de waarheid! Dat is vreselijk, de waarheid te hebben en evenwel de God der waarheid niet te kennen. Licht te hebben en toch Gods Geest te missen, dat is het zwaarste oordeel. En ik zeg u, clat onze Hervormde Kerk een Babel der Babelen is, duizendmaal erger clan die van het Pausdom, wegens het licht dat ze heeft en niet recht gebruikt."
Willem Teelinck schrijft over zijn Middelburgse gemeente, dat ze niet vrij was van „scheuringe, ergernisse, schandalen, dartelheid, hoveerdije, ontuchtigheid en diergelijke besmettelijke zonden meer." Hij noemde het Christendom merendeels maar „een naam, zonder daad, een lichaam zonder leven, een zon zonder licht."
Zo voerden de Nadere Reformatoren de strijd tegen een drietal vijanden: allereerst tegen het humanisme, dat gereformeerd was in naam, maar de ware godsdienst ondermijnde; vervolgens tegen de dorre orthodoxie en het dode formalisme, die zich tevreden stelden met een uiterlijke belijdenis van de waarheid en tenslotte tegen „de roepende zonden van land en volk, " zoals ze het noemden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 februari 1958
Daniel | 8 Pagina's