JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Hei oude Bondsvolk en zijn sociale  voorzieningen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Hei oude Bondsvolk en zijn sociale voorzieningen

8 minuten leestijd

Rente Het verbod om rente te nemen, vinden we het eerst geformuleerd in Ex. 22 : 25: Indien Gij Mijn volk, dat bij u arm is, geld leent, zo zult gij tegen hetzelve niet zijn als een woekeraar; gij zult op hetzelve geen woeker leggen."

Het Hebreeuwse woord, dat hier gebruikt wordt voor woekeraar, duidt op een beroeps-geldschieter. Blijkbaar was zo iemand in Israël van vreemde afkomst. Uit opgegraven kleitabletten bleek, dat ze een rente namen van 20 % voor geldleningen en van 25 tot voor korenleningen. Bij de Assyriërs lag de rentestandaard zelfs nog hoger.

Oorspronkelijk speelde het geld geen belangrijke rol bij het Israëlietische volk, dat hoofdzakelijk van veeteelt en kleine landbouw leefde, en het geld eigenlijk alleen gebruikte om gebruiksvoorwerpen te kunnen kopen.

Teksten als die, waarmee we deze inleiding begonnen, wekken echter sterk de indruk, dat de geldhandel in die tijd in Israël begon op te komen. Die geldhandel voelde men toen aan als in strijd mef de solidariteit van het volk van Jehova en met de verantwoordelijkheid, die de leden van dat volk voor elkaar droegen.

Het is opvallend, dat nog heden ten dage volksstammen met een sterk solidariteitsgevoel, zoals de bedoeïnen, geen rente nemen van cle leden van hun stam, en dat privébezit en leningen tegen rente pas opkomen, als het saamhorigheidsgevoel van de stam in verval begint te geraken. Zo ligt er achter de wetten, die in het oude Israël de rente verbieden, een hunkering om de solidariteit van de „broeders" van Israël vast te houden, zoals ze eertijds ervaren werd in de gezamenlijk beleefde bevrijding uit Egypte door Jehova en in de gezamenlijk gedragen ontberingen in de woestijntijd.

Later werd het nodig, het renteverbod nader te preciseren: Gij zult aan uw broeder niet woekeren, met woeker van geld, met woeker van spijze, met woeker van enig ding, waarmede men woekert. Aan de vreemde zult gij woekeren, maar aan uw broeder zult gij niet woekeren; opdat u de Heere uw God, zegene in alles, waaraan gij uw hand slaat in het land, waar gij naar toe gaat om dat te erven." (Deut. 23 : 19 en 20).

Het woord „arme" komt hier dus niet meer voor, zoals in Ex. 22 : 25. Daaruit moeten we de conclusie trekken, dat het renteverbod geldt ten opzichte van alle Israëlieten. Bovendien zegt hij met nadruk, dat het rentenemen niet alleen verboden is voor leningen in geld, maar evenzeer voor leningen in natura. Daarnaast verklaart hij echter, dat deze wet niet van toepassing is op de vreemdeling, die zonder beschermende rechten onder de Israëlieten vertoefde of de buitenlander, die buiten hun grenzen woonde. De handel op zichzelf wordt hier dus blijkbaar niet meer geheel afgewezen. Integendeel, de Israëlieten mogen tegen rente lenen aan buitenlanders. Dit wordt zelfs een zegen: De Heere zal u opendoen Zijn goede schat, de hemel, om aan uw land regen te geven te zijner tijd en om te zegenen al het werk uwer hand; en gij zult aan vele volken lenen, maar gij zult niet ontlenen." (Deut. 28 vers 12).

Alleen de „broederen" uit het volk mochten dus geen slachtoffer worden van het winstbejag van de gefortuneerde Israëlieten, die immers juist de plicht hadden hun arme volksgenoten belangeloos uit cle nood te helpen, noch van geldschieters uit andere volken, van wie de Israëlieten helemaal niets in leen mochten aannemen.

Ondertussen werd door de vergunning om aan heidense volkeren tegen rente te lenen, het economische gevaar afgewend voor de internationale handel, die toen begon op te komen. Het renteverbod bleef op deze wijze beperkt tot de leden van een klein volk, en de geldspeculanten konden zich door leningen aan buitenlanders zoveel verrijken als zij wilden.

In Lev. 25 : 37 vinden we naast woeker (rente) nog een ander woord, dat de Statenvertalers vertaald hebben door

overwinst, dus zoiets als een toeslag, een vermeerdering. Het is waarschijnlijk, dat met deze aanduiding bedoeld wordt: et meerdere, dat de schuldenaar aan zijn schuldeiser moest geven bij de terugbetaling van zijn schuld. Ook deze manier, om meer terug te krijgen, dan men aanvankelijk geleend had, wordt hier dus ten stelligste afgewezen: Uw geld zult gij hem (de verarmde broeder) niet op woeker geven en gij zult uw spijze niet op overwinst geven." (Lev. 25 : 37).

Door al zulke bepalingen pogen de wetgevers van het Oude Testament de armen te beschermen. Zij willen immers de fatale keten verbreken, waardoor noodlijdende mensen hoe langer hoe meer in armoede en ellende verstrikt raken: ls de nood hen drijft tot lenen, als die leningen hen dwingen goederen als pand af te staan en krom te liggen om de rente voor het geleende te kunnen opbrengen, vaak zó zeer, clat zij voor de rente en aflossing van een vorige lening weer een nieuwe lening moeten aangaan, verzinken zij hoe langer hoe dieper in het moeras van schulden en zorgen. De Isralieten moeten zich in hun samenleving laten leiden door verantwoordelijkheidsgevoel voor hun landgenoten in nood en niet door eigenbelang. Al hebben in de praktijk vele Israëlieten het renteverbod met voeten getreden, de profeten hebben dit zedelijk ideaal steeds hoog gehouden. Zo deed bijvoorbeeld Ezechiël: Zij hebben geschenken in u genomen om bloed te vergieten; woeker en overwinst hebt gij genomen en gij hebt gierigheid gepleegd aan uw naaste door verdrukking; maar gij hebt Mijner vergeten, spreekt de Heere Heere." (Ez. 22 : 12). Profiteren van de ellende en de nood van de medemens staat dus gelijk met God vergeten! Wie dat doet, moet sterven onder het oordeel des Heeren: Geeft op woeker en overwinst; zou die leven? hij zal niet leven! al die gruwelen heeft hij gedaan; hij zal voorzeker gedood worden; zijn bloed zal op hem zijn." (Ez. 18 : 13).

Vele eeuwen lang werd, ook in de Christelijke kerk nog, het uitlenen van geld beschouwd als een daad van barmhartigheid: Geeft degene, die iets van u bidt en keert u niet af van degene, die van u lenen wil" (Matth. 5 : 42).

Ook toen de handel steeds meer toenam en daardoor de geldlening een heel ander karakter kreeg, bleef in de kerk de oude beschouwing voortbestaan, waardoor het rentenemen in een kwade reuk bleef verkeren. Behalve op grond van eerder genoemde Oudtestamentische plaatsen werd door de Christenen tot ver in de Middeleeuwen het renteverbod gelezen uit Jezus' woord: Maar hebt uwe vijanden lief en doet goed en leent, zonder iets weder te hopen; en uw loon zal groot zijn en gij zult kinderen des Allerhoogsten zijn; want Hij is goedertieren over de ondankbaren en bozen/' (Luk. 6 : 35).

Elke rente voor geleend geld werd door de kerk als zonde beschouwd. In 1311 werden op het concilie van Vienne de volgende straffen vastgesteld op het nemen van rente: uitsluiting van het Avondmaal, ontneming van het recht om een testament te maken en weigering van een kerkelijke begrafenis. In 1745 werden alle nemers van rente nog veroordeeld door een pauselijke bul.

Ook de Lutherse reformatie bleef lange tijd een vijandige houding aannemen tegen het rentesysteem.

Alleen het Calvinisme, waarvan vele aanhangers zich op de handel toelegden, kwam tot de overtuiging, dat het vragen van een matige rente niet in strijd behoefde te zijn met het Christenzijn. Men wees er op, dat Jezus in de gelijkenissen van de talenten en van de ponden het rentenemen als normaal beschouwde en er nergens afkeurend over gesproken heeft. Deze calvinistische opvatting werkte blijkbaar ook door in onze Statenvertaling, waar de vertalers telkens, waar in het Oude Testament het renteverbod ter sprake komt, door hun keuze voor het woord „woeker" suggereren, dat overmatige rente in de vorm van woeker weliswaar verboden is, maar dat daarmee elke rente nog niet behoeft te worden afgewezen. Intussen vormden de Calvinisten met hun positieve houding ten opzichte van de rente, aanvankelijk een uitzondering in het geheel van de Christelijke kerk, waarin het Oudtestamentische renteverbod nog lang gehandhaafd bleef. Trouwens ook bij de Mohammedanen, in wier boek de Koran veel van het Oude Testament, vaak in gewijzigde vorm voortleeft, bleef het rentenemen in discrediet.

Het kan overigens soms wonderlijk lopen in de geschiedenis. Doordat de middeleeuwse Christenen geen geld tegen rente mochten uitlenen, werden in die tijd merkwaardigerwijs vooral Joden de grote geldschieters. Dit lag overigens voor de Joden in de lijn van de interpretatie van het renteverbod uit teksten, waar het nemen van rente weliswaar verboden werd voor leningen aan volksgenoten, maar toegestaan voor leningen aan vreemdelingen.

Die nooit zijn geld op woeker geeft; Die, d' onschuld-en het recht genegen, Het oog op geen geschenken heeft. Wie dus oprecht en deugdzaam leeft, Zal nimmer wank'len op zijn wegen. Ps. 15 : 5)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 januari 1958

Daniel | 8 Pagina's

Hei oude Bondsvolk en zijn sociale  voorzieningen

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 januari 1958

Daniel | 8 Pagina's