Hef oude Bondsvolk en zijn sociale voorzieningen
Panden.
Het nemen van panden kwam bij de Israëlieten ook voor. Door de wetten wordt dit niet verboden, maar wel komen ze op voor een humane toepassing ervan.
Ze beogen in de eerste plaats, dat de Israëlieten ook bij het pandnemen een open oog en hart houden voor de nood van de verarmde volksgenoot. Zo schrijft Exodus voor, dat de arme, wiens man-
tel als pand genomen was, dit kledingstuk voor het invallen van de nachtelijke kou moest terugkrijgen, omdat het tegelijkertijd diende als zijn deken gedurende de nacht. De wetgever doet kennelijk een beroep op de humane gevoelens van de Israëlische schuldeisers, als hij er met klem op wijst, dat cle desbetreffende mantel de enige bedekking voor de arme is en dat deze zonder .rijn
opperkleed kou zou moeten lijden: Indien gij enigszins uws naasten kleed te pand neemt, zo zult gij het hem wedergeven, eer de zon ondergaat; Want dat alleen is zijn deksel; het is zijn kleed over zijn huid; waarin zou hij liggen? het zal dan geschieden, wanneer hij tot Mij roept, dat Ik het zal horen; want Ik ben genadig!" (Ex. 22 : 26-27).
In Deuteronomium heeft het pandrecht een aanzienlijke uitbreiding gekregen: e schuldeiser, die een pand wil hebben, heeft niet het recht eigenmachtig het huis van zijn schuldenaar binnen te dringen, maar moet netjes buiten blijven wachten, tot de schuldenaar naar buiten komt om het gevraagde pand bij hem te brengen. Bovendien verbiedt hier de wetgever voorwerpen tot pand te nemen, die onmisbaar zijn voor het dagelijkse levensonderhoud. Zo had ieder gezin een handmolen, bestaande uit twee stenen, waartussen dagelijks het graan gemalen werd voor de sobere maaltijden. Dit onmisbare artikel uit het huishouden mocht nooit als pand gebruikt worden. Bijzondere aandacht heeft de wetgever ook bij het pandrecht voor de weduwe, die het meest bloot stond aan uitbuiting en dus ook het meest bescherming nodig had. Terwijl men van anderen alleen 's nachts geen mantel als pand mocht houden, mocht men de mantel van een weduwe in het geheel niet als pand nemen: Wanneer gij aan uw naaste iets zult geleend hebben, zo zult gij tot zijn huis niet ingaan, om zijn pand te pand te nemen. Buiten zult gij staan en de man, die gij geleend hebt, zal het pand naar buiten tot u uitbrengen. Doch indien hij een arm man is, zo zult gij met zijn pand niet nederliggen. Gij zult het recht van de vreemdeling en van de wees niet buigen, en gij zult het kleed der weduwe niet te pand nemen." (Ex. 24 : 10, 12, 17).
De aard van de voorwerpen, die hier als pand ter sprake kwamen, wijzen er door hun geringe waarde nog eens weer op, dat we in het oude Israël te doen hebben met een primitieve maatschappij, waarin de wetgever zich alleen met het pandrecht bezig houdt, voorzover het gaat om de bescherming van de armen tegen een totale verpauperisering. Bij het aangaan van een lening, of ook wel op de vervaldatum van een schuld, als de armen in gebreke moesten blijven het geleende terug te geven, moesten ze een dergelijk onderpand afstaan. Zo'n pand diende uitsluitend als tijdelijke waarborg voor de schuldeiser en moest in elk geval weer aan de oorspronkelijke eigenaar worden teruggegeven. Wie een pand niet teruggaf, gold als een slecht mens en was zelfs waard te sterven: Verdrukt de ellendige en de nooddruftige, rooft veel roofs, geeft het pand niet weder en heft zijn ogen op tot de drekgoden, doet gruwel; geeft op woeker en neemt overwinst; zou die leven? hij zal niet leven! al die gruwelen heeft hij gedaan; hij zal voorzeker gedood worden; zijn bloed zal op hem zijn! (Ez. 18 : 12-13).
Doch ook ten opzichte van het pandrecht blijkt de praktijk van het volksleven heel wat harder te zijn geweest dan de wetten ons suggereren. De profeet Amos moest althans een strenge veroordeling uitspreken over de rijke Israëlieten, die alleen hun eigen belang op het oog hadden. Zonder enig mededogen vermeerderden zij de ellende der armen door hun kleren te pand te nemen. En zij dachten er niet aan, die kleren voor het vallen van de macht aan de behoeftige eigenaars terug te geven, zodat dezen niets hadden om zich te beschermen tegen de koude van de nacht. Was het al brutaal en harteloos, dat de rijken zich zelf te ruste durfden leggen op de kleren, die ze van de armen hadden afgeperst, het summum van brutaliteit was wel, dat zij er zelfs niet voor terugdeinsden, die onbarmhartigheid te beoefenen naast de altaren, op de gewijde plaatsen, waar de Heere aangebeden werd: En zij leggen zich neder bij elk altaar op de verpande klederen en drinken de wijn der gebeden in het huis hunner goden." (Am. 2 : 8). Zozeer was de godsdienst voor hen geworden tot een louter uiterlijke cultus, dat zij de schrille tegenstrijdigheid niet eens gevoelden tussen hun vertoeven bij de altaren van Jehova en hun liefdeloze hardheid jegens de naaste.
De vromen van het Oude Testament beschouwden het tot pand nemen van de kleren der armen echter als een grote zonde, die ook zeker de toorn Gods op een gegeven moment zou doen los breken. Zo gelooft Elifaz, dat Job door deze en dergelijke overtredingen van Gods wet zijn lijden zich op de hals heeft gehaald: Wnt gij hebt uw broeder zonder oorzaak pand afgenomen en de klederen der naakten hebt gij uitgetogen." (Job 22 : 6). Doch Job verdedigt zich heftig tegen deze aanklacht. Hij weet zich in dit opzicht onschuldig en zegt, dat hij zelf ook ergert over degenen, die meedogenloos te werk gaan bij het nemen van panden en zich niet ontzien om zelfs de enige koe van een arme weduwe nog af te nemen: De ezel der wezen drijven zij weg; de os ener weduwe nemen zij te pand." (Job 24 : 3). „Doch Hij kent de weg, die bij mij is; Hij beproeve mij; als goud zal ik uitkomen." (Job 23 : 10). Zulke teksten bewijzen in elk geval, dat zij, die getrouw wilden zijn aan Jehova's wet, ook het oude pandrecht ernstig namen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 december 1957
Daniel | 7 Pagina's