Advent 1957
God doet de afgronden schallen en de mond van het graf krijgt stem als de eeuwen tezamenvaïlen in het nieuwe Jeruzalem. W. J. van der Molen.
De weken vóór Kerstfeest staan in het teken van verbeiden. Dan is er het hunkerend wachten op de Komende, de Heilzon die dagen zal. De voorzeggingen worden uitgeplozen en, door de eeuwen verspreid, liggen de profetieën voor het grijpen. We raken vertrouwd met beelden als rijsje, zon en spruit; we weten de vele namen te noemen van het Kind, Dat is geboren en de Zoon Die is gegeven. En ondertussen staan we achter de vervulling van de Belofte, al bijna tweeduizend jaar.
Hoe weinig wordt in de adventsweken gesproken over het tweede Advent, de wederkomst van Christus. Vóór de komst van Christus in het vlees, baden de beidende mensen, of de Heere de hemelen wilde scheuren en neder wilde komen. En in de eerste christenkerk dacht men de wederkomst zo dichtbij. Hoe is het in onze tijd? Daar zo weinig vernomen wordt van de grote wederkomst, moet men denken, dat slechts weinigen de tweede advent werkelijk beleven.
Wanneer de men» de toren van hoogmoed gaat bouwen om een naam te maken, is het toch zeker te verwachten, dat God zal nederkomen om de spraak te verwarren. Als het mensdom opklimt tot boven de wolken uit en gaat prutsen in de geheimen van de onmetelijke ruimte, kan men toch, zonder profeet te zijn, voorzeggen dat het einde der eeuwen snel nadert.
Zo hier en daar, in een klein bundeltje gedichten, of verscholen in een hoekje van weekblad of tijdschrift, zien we en horen we iets van dat grote advent dat voor de deur staat. In het bundeltje „In den vreemde" schrijft Anton B. Lam een gedicht met het opschrift „Tijd".
In dat gedicht gaat het over de toekomst des Heeren. Wij weten het zo goed, dat dit te komen staat, maar hoe weinig wordt eraan gedacht!
God heeft de wereld toegemeten een eigen, zeer bepaalde duur. Hoe dikwijls wij het ook vergeten, straks is het tijd, dan slaat haar uur. Dan zal Zijn Zoon weer d' aard betreden, Hij draagt als koren in de schuur allen die hier Zijn naam beleden, maar 't onkruid werpt Hij in het vuur.
Wat hier gezegd wordt, weten we al lang. Het zijn bekende dingen voor ons, maar de dichter gaat dan verder:
Zo hebben wij het lang vernomen. Maar wie is er die Hem verbeidt? Als Christus plotseling zal komen wiens hart is dan voor Hem bereid? Wie onzer zal er dan nog dromen van 't Rijk, en van de nieuwe tijd?
Over de wederkomst schrijft ook Gerard Wijdeveld, in verband met de hemelvaart, in het bundeltje „Vijf geheimen":
Jezus' scheiden blijft geen scheiden; aan het einde van de tijden keert Hij, licht en luister, weer. Wacht en roept Hem: kom o Heer! Nooit, bij nacht niet en bij dage, nooit, bij jubelen noch klagen, nooit zij u de mond meer stom van die kreet: Heer Jezus, kom!
Willem de Mérode ziet cle tekenen der tijden als voorboden voor 's Heeren komst. In „De steile tocht" lezen we:
Uw boden rennen reeds voorbij: De stormwind dorst de landen, De bergen roken, 't springgetij verdrinkt de lage stranden. De wereld waggelt, burcht en dom Zinkt weg of kantelt dronken om. Wat straks nog pronkte en glom, Is als een damp verdwenen. Hoor, hoe wij uit de chaos tot U wenen, Kom!
A. Wapenaar vraagt om een stem om zijn verlangen uit te zingen, nu bij het ruisen van Gods gangen hoort. In „Het betere land" horen we hem verzuchten;
O Heer, geef stem aan mijn verlangen, Dat naar U uitgaat clag en nacht. Ik hoor het ruischen Uwer gangen: 'k Weet U nabij, o Heer, ik wacht!
Ja, geef Gij stem aan dat verlangen, Dat van Uw naadren reeds geniet! 't Is zaligheid van U 't ontvangen. Zij 't slechts de weelde van een lied!
Over de tekenen der tijden schrijft ook J. van Melle in „Gedichten uit Zuid-Afrika":
Mocht ik met diepe opmerkzaamheid der tijden tekenen bespieden. Geef mijn verstand ontvankelijkheid, waar ik Uw wederkomst verbeid, de grote dingen die geschieden te zien in hun waarachtigheid, of z' in hun wijde mooglijkheid,
wellicht Uw komst verbeiden. Dat nooit de slaap mijn oogleèn nederdrukke; geen sluimring m' overval. Geen werk mijn aandacht ooit ontrukke van 't luisterend wachten naar Zijn voetenval. Dat als Hij eenmaal wederkomt, Hij mij zo vinden zal.
INDEX
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 december 1957
Daniel | 7 Pagina's