Herfst met een somber slot
Het herfstseizoen doet zijn intrede met de bekende verschijnselen: vallende bladeren, stormen, nachtvorsten, gure regenvlagen en het vroeg invallen van de duisternis. Trekvogels zoeken hun winterkwartieren op, al moet er dagen voor worden gevlogen.
Hella S: Haasse heeft het over de stormen:
Weer valt het loof en staan de bomen bruin. De wolken drijven donker in de grachten. De wind ligt stil bij dag, maar alle nachten rijdt hij te paard en blaast op zijn bazuin en zendt zijn wilde adem langs mijn raam en spreekt van golven en van hoge schepen.
C. Buddingh' ziet de trekvogels naar het warme zuiden vliegen, waar de blauwe luchten zijn en waar het nooit wintert; waar de storm hun verenpak niet kan uiteenrafelen. En wanneer hij dat ziet, dan gaat de dichter met die dieren mee, en dan worden zijn dromen als trekvogels, die de warmte en de zonneschijn opzoeken: herinneringen aan de voorbije heerlijke zomer. Buddingh' doet dat op deze manier:
Steeds zwermen de trekvogels van mijn dromen uit naar de gouden tropen van het leven: ik zie ze door d' azuren hemel zweven, en baden in de zonbeslagen stromen,
en boven weidse, eeuwiggroene landen hun jubelende dansfiguren vormen, in luwe streken waar geen bitse stormen hun veren weerloosheid aan kunnen randen.
Let wel, dat de dichter hier niet de zomer als jaargetijde bedoelt, maar de „gouden tropen van het leven" zijn de hoogtepunten uit zijn leven; herinneringen, waaraan hij met blijdschap terugdenkt. Voor zijn ogen zweeft het beeld voortdurend van de vluchten vogels, die in het najaar zich gereed maken om te vertrekken; honderden zijn er dan in de lucht bijeen, als een wolk zo dicht, en ze schijnen te stoeien, wat in het gedicht „jubelende dansfiguren" wordt genoemd.
Maar als de dichter droomt van hetgeen voorbij is, blijft hij toch in het gemis zitten: het is geen zomer, maar herfst; alleen de herinneringen zijn maar aanwezig. De lege, kale nesten van de vogels wijzen er op, dat de vogels er zijn geweest, maar dat ze nu zijn weggevlogen. Voor de dichter is het gemis wel groot, maar hij zal wachten, als een vogelwachter, tot de lente Weer terug zal keren. Hij zegt dan:
En in mijn hart blijven hun kale nesten dor en verlaten als maankraters achter: duizenden zwarte holten van gemis.
Maaar 't hindert niet, want 'k weet dat zij ten leste weerkeren naar hun eenzaam vogelwachter: als het weer lente in mijn leven is.
Dit gedicht is te vinden in de bundel „Water en vuur", in 1951 uitgegeven. We zouden niet zeggen, dat we met een modern gedicht hebben te doen: we kunnen de bedoeling van de dichter begrijpen en het is voor ons geen haspeling van woorden en klanken, waar we geen touw aan kunnen vast maken.
In dezelfde bundel „Water en vuur" van Buddingh 7 staat ook het gedicht „Het uur einde." Die titel spreekt van somberheid en ondergang. Buddingh ziet de toekomst niet optimistisch in. De bundel is een aanklacht tegen onze „cultuur" in de wereld van waanzin en ontreddering. In de toekomst wordt alles verpulverd en het schone van de aarde zal er niet meer zijn:
En de bloemblaadjes welken, welken, de zomer valt door de tijd als een klein, bruin blad, de hond Dood ligt als een blindganger voor de haard — ijsbloemen etsen hun meedogenloos vonnis reeds op mijn raam geen wand ter wereld zonder het teken en geen droom en geen daad meer waarvoor het wijkt. Dit is het uur van de rat en de wezel, zie de laatste huizen roken op de vlakten van edik en sulfer tussen de boortorens van de haat.
Kan het somberder worden getekend? Er zal niets meer overblijven, zelfs niet voor de gier en de jakhals:
Geen gier die zich vetmest aan de krengen geen jakhals die zich laaft aan het bloed, enkel stilte, azoïsche stilte enkel stilte en puin en roet.
En wat zet de dichter hier nu tegenover? Wijst hij op het woord van de Heere Jezus: „waakt? " Zet hij ons aan ons te haasten en te spoeden om ons levens wil? Neen! Pluk de druiven van het leven, terwijl die er nog zijn. Nu zijn er nog parken en vijvers en priëlen om ons daar te vermeien. Dus het woord, dat we horen in de Schrift: „Laat ons eten en drinken, want morgen sterven wij." Het gedicht eindigt met „morgen sterven wij" in een zeer sprekend beeld:
, de klok wijst kwart voor de dood."
azoïsch komt van een grieks woord en betekent ongeveer, dat er geen overblijfsels meer worden waargenomen van mensen en dieren; in het gedicht: een stilte die niet meer verstoord zal worden door mensen-of dierengeluiden, want het leven is totaal vernietigd.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 december 1957
Daniel | 8 Pagina's