herfst
De late najaarszon ging dalen, En in 't verlaten beukenwoud Was 't loover in de laatste stralen Van louter vuur en louter goud. Geerten Gossaert.
Ontegenzeggelijk zet de herfst gevoelige naturen tot ernst en bezinning aan. Het uitbundige licht van de zomer is verdwenen en de dagen krimpen snel ineen, totdat straks schier geen dag meer naar voren treedt uit het sombere, mistige weer. „We hebben de zomer weer gehad, " wordt met een zucht gezegd en men legt zich hierbij neer, omdat wij er niets aan kunnen veranderen.
Maar meer nog dan het derven van de warme zonneschijn; meer nog dan het tanen van het licht, zegt ons het herfsttij. Wat hebben we met de zomer gedaan? Hoe hebben we het leven besteed? Herfst spreekt van afrekening: we dienen ons te bezinnen hoe we de kansen hebben waargenomen. Een volle zomer is geschonken en hebben we dat leven doorgebracht op een verantwoorde manier? Herfst ziet op het slotstuk van het leven. De rekening wordt opgemaakt.
Karei van de Woestijne (1878—1929), één der grootste dichters van Vlaanderen, schreef een bundel gedichten, getiteld „De modderen man", waarin een gedicht over de herfst voorkomt. De titel van de bundel is treffend: de man, die in de modder leeft, in de modder van vuilheid en slechtheid. In het leven van de dichter merken we een kwellend zondebesef en een vurig verlangen naar een strikte innerlijke zuiverheid. Zijn poëzie is zelfbeschrijving, , , 't zinnelijk-gevoelig dagboek ener personaliteit, die haar bedeesde naaktheid sluit, en vertoont, onder 't schone gewaad der beeldspraak." Van de Woestijne verzorgt zijn taal nauwkeurig. Terwille van het zuiver ritme gebruikt hij veel afkappingstekens: voor nadert schrijft hij, als het voor de loop van het gedicht past, „naêrt". Laten we maar eens kijken, maar vooral horen naar het herfstgedicht van de Vlaming.
Weer gaat het veege licht der asters bloeien; weêr naêrt een herfst. — En dit doorhunkerd hart waar smokend 's zomers toortse gaat vergloeien, wordt huiverend, en mart . . .
De echte herfstbloemen bloeien weer: de asters. Maar het is geen stralend licht van die bloemen, want de helle zomer is voorbij; daarom „het veege licht". Het hart, dat zoveel verlangen heeft gekend, gaat huiveren en staat peinzend stil. De zomerse toorts heeft haar felheid gehad en langzaam gaat ze uit.
De dichter voelt zich eenzaam, vooral nu, bij het komen van het najaar. Hij heeft de vruchten wel in zijn handen gehad, maar er niets mee gedaan; hij heeft ze niet gegeten. Hoor, hoe de dichter dat uitdrukt:
— Ik, in wiens hand de zoele vruchten wogen maar wien de zoen ontzegd werd van den beet; die, waar Tc u weet, o herfstig mededogen, me des te alléener weet;
En dan komen er twee beelden, die dezelfde zin hebben en die uitdrukken, dat de man heeft gezwoegd en gewerkt, maar het begeerde niet heeft mogen vinden:
eeuwige maaier, ik, die sneed het koren maar nimmer voor zich-zelf de garve bond; eindloze vaarder in zijn vochte voren die nooit de haven vond:
De herfst nadert weer en het verlangende hart zal hetzelfde weer moeten ervaren: het missen van de'verwachte vrucht, waar hunkerend naar uitgezien werd, met de blijde zekerheid, dat na het wintertij, dat wordt ingeluid, weer een lente zal komen (lent') om opnieuw te beginnen en de kansen waar te nemen:
Weêr naêrt een herfst; en weêr naêrt wrang het derven dit hart dat, hooploos, steeds verlangen kent; dat, immer hunkrend naar dit herfstlijk sterven, na 't wintren weet en lent' ....
Het niet-kunnen-volbrengen wat werd begeerd en het nietontvangen wat zozeer werd verlangd, schroeit als een oude wonde:
— Weêr brandt mijn najaars-bloed in smeek-gebaren; weêr weent het hart waar de oude wonde schroeit
En dan ziet de dichter in zijn smart de kastanjebomen en de asters in volle pracht staan: het goudgeel van de bladeren is verguld en schittert in de zon, terwijl de aster van zilver schijnt gemaakt. Is dat de volle naglans van het zomertij? Zijn dat de uiteindelijke vruchten? Of zijn dat lichtpunten voor de lente, die toch na een doods wintertij zal doorbreken? De dichter drukt het zó uit:
— Hoe bronst het goud in de kastanjelaren! De zilvren aster bloeit ....
En dan heeft de dichter zich uitgesproken. Merkwaardig, dat er nu niet gezegd wordt „het veege licht der asters." Zou de weemoed van het naderen der herfst, zoals in de eerste strofe, enigszins zijn verzoet? De laatste regels worden uitbundig gezongen! Stel daar tegenover eens regel drie: „waar smokend 's zomers toortse gaat vergloeien". We zouden haast denken, dat de dichter zich bij het voltrekken van het herftsgebeuren neerlegt, met de wetenschap en de verwachting, dat er nog nieuwe kansen zullen komen.
Het werk van Van de Woestijne zal niet ieder dadelijk aanspreken. Een schilderij kan ook niet terloops worden bekeken: hoe langer men er naar ziet, des te meer gaat men er in ontdekken. Zo is het ook bij de gedichten van de Vlaming, die we even aan het woord lieten.
INDEX.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 november 1957
Daniel | 8 Pagina's