JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

VRAGENBUS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VRAGENBUS

6 minuten leestijd

-N I Correspondentie voor deze rubriek aan: ! T MOLENAAR. Leede 18. Rotterdam-Zutd V. J

GEBEDSHOUDING.

M. V. te D. vraagt waarom de vrouwen bij het openbaar gebed altijd blijven zitten en de mannen gaan staan. Zij vraagt of er voorschriften van zijn in Gods Woord.

Antwoord: n het Oude en Nieuwe Testament komen verschillende gebedshoudingen voor. Soms was deze staande. Daarvan lezen we in 1 Samuël 1 : 26: Ik ben die vrouw (n.l. Hanna), die hier bij u stond om de Heere te bidden. Salomo stond voor het altaar en breidde zijn handen uit naar de hemel. In Markus 11 : 25 lezen wij: En wanneer gij staat om te bidden enz."

Soms was de houding knielend als teken van ootmoed. Daarvan lezen wij in Ezra 9 : 5: En ik boog mij op mijn knieën en breidde mijn handen uit tot de Heere mijn God." Zulks wordt ook van Salomo en Daniël gezegd en van de Heere Jezus lezen we, dat Hij in de hof van Gethsemané knielde en bad. Toen Petrus te Joppe geroepen werd en in het huis kwam waar Dorcas gestorven was, knielde hij neder en bad.

Om nog dieper deemoed te kennen te geven lag men ter aarde, zoals Elia, die met zijn aangezicht gebogen tussen de knieën op de berg Karmel lag.

Ook hief men de handen op tot God, nadat deze vooraf gereinigd waren. Bij zelfaanklacht of boete legde men de handen op de borst of sloeg zich op de borst. Hiervan vinden we een voorbeeld in de tollenaar.

Het vouwen der handen schijnt een christelijke gewoonte uit later tijd te zijn.

De Gereformeerden hebben in hun godsdienstoefeningen kort na de Hervorming knielende gebeden.

De kerkenorde der Gereformeerde kerken in Frankrijk bepaalde zelfs: „De predikanten, gelijk ook de ouderlingen en de hoofden van het gezin worden bevolen zorgvuldig daarop acht te geven, dat men gedurende het gebed zonder enige uitzondering en zonder aanzien des persoons door deze uiterlijke tekenen getuigenis geve van de ootmoed zijns harten en de eerbied voor God, tenzij iemand door ziekte of om andere redenen, waarvan de beoordeling aan het getuigenis van zijn eigen geweten blijft overgelaten, er van teruggehouden wordt."

Van bepaalde voorschriften in Gods Woord lezen we dus niets. In verband met de lichamelijke! toestand van de vrouw (het zwakkere vat) is het dus logisch, dat zij bij het gebed blijft zitten, maar de voegzame houding voor de mannen in de samenkomst der gemeente is de staande.

Hoewel de gebedshouding van grote betekenis is, is de gesteldheid des harten het voornaamste. God heeft behagen in een verbroken hart en een verslagene des geestes. Als dat laatste aanwezig is, is het een heilige vanzelfheid, dat we een zodanige gebedshouding aannemen, die de grootst mogelijke eerbied uitdrukt.

J. H. te B. vraagt of ik iets wil schrijven over de Zevendedag-adventisten.

Antwoord: Miller is de man, die aan deze secte het leven schonk. Na zijn bekering (? ) sloot hij zich aan bij de Baptisten. Nu besteedde hij zijn tijd aan het onderzoek van Gods Woord, voornamelijk aan de profetieën. Hij kwam tot de overtuiging, dat de komst van de Heere Jezus aanstaande was. Ja hij wist op grond van zijn getallenfantasie, dat Christus weder zou komen tussen 21 maart 1843 en 21 maart 1844. Toen op de laatste datum niets gebeurd was, schreef Miller een open brief, waarin hij eerlijk erkende zich vergist te hebben en waarin hij tevens beloofde zich voortaan van berekeningen te zullen onthouden.

Een andere adventist „Snow" noemde een nieuwe datum. Weder waren er velen, die geloof hechtten aan zijn profetie. Sommigen haalden zelfs de oogst in dat jaar niet binnen. Toen er weer niets gebeurde braken velen met de Adventisten en verschillende kerkgemeenschappen voelden zich geroepen tegen het adventisme te waarschuwen. In 1845 werden Miller en zijn aanhangers uit de kerk der Baptisten geworpen.

Nu werden er op verschillende plaatsen Adventistische gemeenten gesticht. Kerkelijk verband bestond er tussen deze gemeenten niet. In sommige zaken waren zij het met elkaar eens, maar er waren ook verschillen. De punten van overeenkomst waren: het verwerpen van de kinderdoop, het bedienen van de doop door onderdompeling en het aanstellen van oudsten. Over de onsterfelijkheid van de ziel en over de viering van de rustdag liepen de meningen uiteen. Wat het eerste punt betreft, leerde „Stor" in 1844, dat de mens niet onsterfelijk was. Alleen de gelovigen zouden onsterfelijk zijn, maar de goddelozen zouden met de komst van Christus vernietigd worden. „Miller" verzette zich met kracht tegen deze stelling, waardoor een breuk ontstond. Beide richtingen hielden nog de rustdag, zoals wij die kennen, maar in 1846 trad Joseph Bates

op, om te verdedigen, dat de rustdag op zaterdag gehouden moest worden. Zij noemden zich Zevendedag-Adventisten. Bij hen sloot zich aan het echtpaar White. Mevrouw White trad te midden van haar volgelingen op als profetes. Zij ontving immers sinds haar 17e jaar visioenen, soms wel van een half uur. Deze Zevendedag-Adventisten leerden, dat de kerken, nadat zij de Oud-Testamentische Sabbat hadden afgeschaft, de grote hoer uit de Openbaringen waren geworden. Deze Adventisten hebben ook de zalving der kranken niet olie en de voetwassing bij het Avondmaal. Zij zijn zeer ascetisch d.w.z. streng-vroom, ingetogen. Zij eten geen varkensvlees en roken niet. Thee en koffie mogen in hun kring niet gebruikt worden.

De bezwaren, die ik heb tegen de Adventisten zijn de volgende:

Ten eerste legt men zijn eigen denkbeelden in de profetie, bekleedt dat met Goddelijk gezag en verontrust de zielen.

Ten tweede meent men vrije beschikking te hebben over de gaven en krachten der toekomende eeuw en bouwt een beeld der toekomst, dat in de uitkomst „fout" is. Ondertussen vergeet men het woord van de apostel Paulus: „Want ik heb niet voorgenomen iets te weten onder u dan Jezus Christus en die gekruisigd." En ook: „Christus is u ijdel geworden, die door de Wet gerechtvaardigd wilt worden."

Ten derde hebben zij geen oog voor de zegen der kerk, omdat 2fij geen oog hebben voor de historie der kerk.

Ten vierde is het Adventisme met het sabbatisme op de verkeerde weg. Zij klemmen zich vast aan de letter der Wet en laten het innerlijk verband, dat er is tussen Oud-en Nieuw-Testament los.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 oktober 1957

Daniel | 8 Pagina's

VRAGENBUS

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 oktober 1957

Daniel | 8 Pagina's