JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Het oude Bondsvolk en zijn sociale  voorzieningen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het oude Bondsvolk en zijn sociale voorzieningen

6 minuten leestijd

De algemene toestand der armen in Israël.

In cle vorige artikelen hebben we wel gezien, clat cle toestand van cle armen in Israël veelal verschrikkelijk was. In dit artikel willen we clat nog eens onderstrepen.

Armoede sloot cle voortdurende vrees in voor een mogelijk verlies van kinderen, die cloor cle schuldeiser werden opgeëist om ze tot slaaf te maken om zich op die manier schadeloos te stellen voor een niet op tijd voldane schuld. Denk slechts aan cle weduwe uit de dagen

van Elisa: Een vrouw nu uit de vrouwen van de zonen der profeten riep tot Elisa, zeggende: w knecht, mijn man, is gestorven, en gij weet, dat uw knecht de Heere was vrezende; nu is de schuldheer gekomen om mijn beide kinderen voor zich tot knechten te nemen." (2 Koningen 4:1).

Andere armen waren bang hun eigen vrijheid te verliezen: e behoeftige kon immers versjacherd worden voor een paar schoenen: Alzo zegt de Heere: m drie overtredingen van Israël en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat zij de rechtvaardige voor geld verkopen en de nooddruftige om een paar schoenen." (Amos 2:6).

Wrede schuldeisers maakten het soms zo bont, dat ze de ongelukkigen door middel van valse processen ter dood lieten brengen, om zich daarna van hun schamele nalatenschap meester te maken.

Een arm mens was in de Israëlitische samenleving vaak zo weinig in tel, dat zijn verstandige opmerkingen zonder meer in de wind werden geslagen. De aanzienlijken luisterden nu eenmaal niet naar de raadgevingen uit de verachte lagere stand. Liever lieten zij een stad ondergaan dan de raad op te volgen van een wijs, maar arm man: En men vond daar een arme, wijze man in, die de stad verloste door zijn wijsheid; maar geen mens gedacht dezelve anne man." (Pred. 9 : 15).

Vooral het boek Job biedt ons een somber beeld van de mindere man in de oosterse maatschappij. Maanden van ellende en nachten van leed waren het lot van de arbeider, die op zijn loon zat te wachten. Men zie verder b.v. Job 24, waarvan wij de vele teksten wegens plaatsgebrek hier niet kunnen afschrijven. Daar wordt ons vol bewogenheid een beeld gegeven van de Israëlitische proletariërs, die als dagloners hard moesten werken in koren en wijn, waaraan de heren zich straks te goed zouden doen, terwijl de arbeiders ondanks al hun sloven en zwoegen nog niet genoeg verdienden om hun honger en dorst te stillen, laat staan om kleren te kopen tegen de koude van de nacht.

In Job 30 vinden we behoeftigen, die uitgeput zijn door honger en gebrek en alleen wat wilde planten afknagen om toch enig voedsel te hebben: Die ziltige kruiden plukten bij de struiken en welker spijze was de wortel der jeneveren." (Job 30 : 4).

Dikwijls moest de arme ook de steun van vrienden en broeders ontberen. In dit opzicht is er niet veel nieuws onder de zon. Wanneer iemand fortuin maakt, en hij door zijn rijkdom het er goed van kan nemen, kan hij vrienden krijgen zoveel hij maar wil. Maar zodra zijn voorspoed gaat veranderen in tegenspoed, keren zijn makkers hem de één na de ander de rug toe. En als hij eenmaal goed en wel in de misère is geraakt, zodat hij de hulp van anderen nodig heeft, zijn zijn vrienden in geen velden of wegen meer te bekennen. Vroegere vrienden blijken nu vijanden te zijn geworden. Zelfs bloedeigen broers hebben dan niet veel meer op met hun verarmde bloedverwant. „De arme wordt zelfs van zijn vriend gehaat; maar de liefhebbers des rijken zijn vele." (Spr. 14 : 20). „Het goed brengt vele vrienden toe, maar de arme wordt van zijn vriend gescheiden." (Spr. 19 : 4). De rijke kan alleen al op grond van zijn bezit rekenen op de steun van anderen; de arme staat met al zijn ellende echter zonder hulp of steun in de wereld: Des rijken goed is een stad zijner sterkte; de armoede der geringen is hun verstoring." (Spr. 10 : 15).

Al met al blijkt de arme in Israël een ellendig en bitter bestaan te hebben geleid. Hij werd weinig geacht in het leven en had niet veel anders dan zorgen. Geen wonder, clat velen van zulke ellendigen vergetelheid gingen zoeken in de drank, om in hun roes de gedachte aan hun armoede even op zij te zetten en de kwellende zorgen te doen vervagen: Dat hij drinke en zijn armoede vergete, en zijner moeite niet meer gedenke." (Spr. 31 : 7).

Uiteraard bood deze vlucht voor de harde werkelijkheid aan de oude Israëlieten al evenmin een oplossing van het maatschappelijk probleem als de drank te-

•genwoordig uitkomst of troost kan geven aan armen en onderdrukten. De tranen over hun onderdrukking keerden met de ontnuchtering weer net zo terug. Daarom prijst de Prediker, als hij over deze arme mensen spreekt, de doden, die reeds lang gestorven zijn, gelukkig boven degenen, die nog in leven zijn. En het gelukkigst acht hij degene, die het levenslicht onder zulke omstandigheden nooit gezien heeft: Daarna wendde ik mij en zag aan al de onderdrukkingen, die onder de zon geschieden; en ziet, er waren de tranen der verdrukten, en dergenen, die geen trooster hadden; en aan de zijde hunner verdrukkers was macht; zij daarentegen hadden geen vertrooster. Dies prees ik de doden, die airede gestorven waren, boven de levenden, die tot nog toe levend zijn." (Pred. 4 : 1 en 2).

Voor anderen gold armoede als iets zo verschrikkelijks, dat zij in driftige toorn haar toewensten aan hun ergste tegenstanders. „En dat zijn kinderen hier en daar omzwerven en bedelen en de nooddruft uit hun verwoeste plaatsen zoeken. Dat de schuldeiser aansla al wat hij heeft, en dat de vreemden zijn arbeid roven. Dat hij niemand hebbe, die weldadigheid over hem uitstrekke en dat er niemand zij, die zijn wezen genadig zij" enz. (Ps. 109 : 10, 11, 12).

Een soortgelijke verwensing komt ook uit de mond van David over het geslacht van Joab, als deze Abner heeft gedood: Het blijve op het hoofd van Joab en op het ganse huis zijns vaders; en er worde van het huis van Joab niet afgesneden, die een vloed hebbe en melaats zij en zich aan de stok houde en door het zwaard valle en broodsgebrek hebbe!" (2 Sam. 3 : 29).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 oktober 1957

Daniel | 8 Pagina's

Het oude Bondsvolk en zijn sociale  voorzieningen

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 oktober 1957

Daniel | 8 Pagina's