Vaderlandse Geschiedenis
De triomf der baatzucht zouden wij de vergeefse tocht van de Prins naar Vlaanderen in 1641 kunnen noemen. Het was hem hoofdzakelijk om Antwerpen te doen. De vermeestering van deze stad achtte hij een geschikt middel om Amsterdam tot rede te brengen.
Met deze stad lag hij voortdurend over hoop. Allereerst was zij het hoofd der vredespartij en verder liet zij niet na, zo mogelijk de Prins de voet dwars te zetten.
Amsterdam begreep zeer goed, dat vermeestering van Antweq^en, de voormalige koopstad en haar concurrentie niet tot voordeel van haar handel en overwicht zou zijn; maar juist een probaat middel om haar op de knieën te brengen en te houden. Dit laatste was juist de voornaamste reden van haar verzet tegen de Prins.
De baatzucht (of schraapzucht als men het zo noemen wil) was verregaand, ergerlijk. Vooral kwam dit uit in de leveranties van krijgsbehoeften (buskruit) en zelfs van schepen (verkoop en verhuur) aan de vijand.
Een der „klanten" was — Antwerpen; en men begrijpt zeker, waarom. In 1639 kwam er dan ook een verbod van leveranties aan cle vijand. Maar cle zaak draaide door, tot grote ergemis van de Stadhouder. Bij onderzoek durfde een der gesnapte kooplui brutaal te bekennen clat er wel honderd waren, die zich met dergelijke praktijken bezig hielden; en hij voor zich, om winst te behalen door de hel zou varen, al moest hij de zeilen er bij verbranden!
Het is wel te begrijpen, dat cle Prins in grote ergernis eens uitriep: „Ik heb geen groter vijand dan Amsterdam; maar neem ik Antwerpen, ik zal haar zo laag vernederen, clat zij zich nimmer weer oprichten zal."
De tocht mislukte, evenals later die van 1645. Hulst werd wel genomen maar Roermond en Venlo gingen weer verloren.
Dit alles was niet bevorderlijk voor de goede reputatie van de Republiek.
Onze bondgenoot Frankrijk was gelukkiger; zo zelfs; dat wij ons hier te lande
ernstig bezorgd maakten over de groeiende macht van dit land.
Frankrijk wilde ook Duinkerken, het roofnest, in zijn macht krijgen. Condé zou aan de Iandzij opereren en Maarten Harpertsz. Tromp met een vloot aan de zeezijde.
Merkwaardig, dat Tromp niet geloven kon, dat onze Staten-Generaal ernstig de bemachtiging van dit roofnest wensten en daarom wel tweemaal om instructies vroeg!!
Wie echter even nadenkt, kan het vragen van Tromp best begrijpen, 't Was bij vermeestering een pracht haven voor Frankrijk.
De stad werd genomen en daarmee waren wij voorlopig van een vijand af die plus minus 60 jaren onze handel en visserij onnoemelijk veel schade had toegebracht.
Anderzijds is inderdaad goed opgemerkt, dat de tochten tegen de Duinkerkers en voegt er maar bij naar de Indiën alsmede de walvisvangst een oefenschool voor onze zeelui zijn geweest. Een reeks van zeehelden gaat zich vormen, waarbij heldengeslachten: de Evertsens e.a. Om nog even op de Duinkerkers terug te komen. Al lang had de Prins als admiraal-generaal de zaken van 's landsvloot willen regelen, maar ook in dezen had Amsterdam krachtig tegengewerkt.
Gelijk bekend waren er 5 admiraliteits colleges, die voor de uitrusting der vloot hadden te zorgen, maar waarbij bitter weinig samenwerking was.
En dan het geldgebrek. De landprovincies wilden wel gaarne bijdragen voor het landleger leveren; maar voor de vloot waren er veel bezwaren. Van deze tweedracht hebben de piraten, zoals ons bekend is, een flink gebruik gemaakt.
Een schrijver vermeldt, dat zij eens zoveel schepen hadden buitgemaakt, dat zij ze niet in hun smalle haven konden bergen en ze daarom maar als brandei hout verkochten!
Gelukkig, dat onze zeelui en aanvoerders een trouwer begrip toonden, dan veel andere landgenoten.
Piet Heyn heeft als luitenant-admiraal van Holland de vloot te organiseren (1629) maar nog het zelfde jaar ontviel hij ons, strijdend tegen de Duinkerkers. In 1637 werd zijn werk weer opgevat door Maarten Harpertsz. Tromp.
Wie kent hem niet? Geboren in Den Briel was zijn leven van jongsaf aan een oefenschool geweest. Hij was al hoger geklommen, bij het sneuvelen van Piet Heyn was hij aanwezig; hij was de kapitain van het admiraalschip.
Nu zou hij tonen, wat hij was: voor onze vloot, voor ons land een kostelijk bezit; een rustige figuur, die van zijn volk de erenaam van Bestevaer zou ontvangen.
III. Duins (1639).
Uit Parijs kwam bericht binnen, dat Spanje bezig was een tweede Armada, een tweede „onoverwinnelijke vloot" uit te rusten. Van een omgekochte beambte uit Brussel was vernomen, wat eigenlijk de bedoeling van deze Armada was. Niet dezelfde als van die van 1588.
Aan het hoofd stond de bekwame admiraal Antonio de Oquendo. Met 67 schepen, bemand met 24000 koppen, onder wie veel hoge spaanse en portugese edelen, alsof het een paradetocht gold, had hij tot opdracht 13000 soldaten naar de Zuidelijke Nederlanden over te brengen. Verder luidde zijn instructie: een gevecht ontwijken en indien aangevallen, bescherming zoeken aan de engelse kust.
Tromp kreeg in last de Armada tegemoet te stevenen. Hij deed dit met 13, zegge dertien kleine schepen. Een paar dagen later werd dit smaldeed versterkt met 20 zeeuwse schepen.
Onder Tromp dienden Banckert (of Banckers) als vice-admiraal, Witte Cornelisz. de With (Dubbelwit) en de Zeeuw Jan Evertsen. Bij Bevesier zag hij de trotse Armada naderen. Het verschil met zijn vloot was wel groot.
Langzaam week Tromp terug. Bij gehouden scheepsraad was Dubbelwit direct klaar met zijn advies: Regelrecht aanvallen.
Tot grote verbazing van de vijand zag men onze schepen omkeren en tot de aanval overgaan. De klap kwam zo hevig aan, dat Oquendo met grote haast bescherming zocht op de rede van Duins, ten noorden van Dover. Daar lag hij in britse wateren en onder bescherming van de kanonnen van Duins.
De Engelsen waren zo „vriendelijk" aan Tromp te berichten geen gevechts handelingen in hun wateren te beginnen. De engelse admiraal zag toe, dat er niet gevochten werd. Zou Tromp toch beginnen, dan liep dit op een oorlog met Engeland uit.
De opsluiting in Duins was anders wel solide. Vóór de inham lagen namelijk banken. Aan beide zijden van deze konden de toegangen door onze vloot afgesloten worden, wat geschiedde. Wat nu?
(Wordt vervolgd) P. J. Lamoré.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 oktober 1957
Daniel | 8 Pagina's