Simsons „ik" en Simsons „Gij" (Ridderen 15)
Weer zien wij de Filistijnen, In 't Judeese land verschijnen. Juda, jarenlang verdrukt, Heeft vrijwillig zich gebukt. Men gevoelt niet meer die smaad, Zodat men niet strijden gaat. Men is lauw en zeer voorzichtig Zo blijft Juda dus schatplichtig, Aan de brute Filistijn, Wat mag nu de reden zijn, Dat dit volk thans weer bij stromen, Naar Judea is gekomen? Wel, men heeft maar één verlangen: Simson binden, hem gevangen Voeren naar hun vaderland. Simson, hij móet overmand.
Juda heeft ook dit vernomen. Zie, drie duizend mannen komen Naar de plaats waar Simson was. Nu blijkt Juda's lafheid pas. Men doet dezen held verstaan: Waarom hebt ge zo gedaan? Waarom zó met hen gehandeld, En geen ander pad bewandeld? Vrede met de Filistijn, Dat blijkt Juda's doel ie zijn. Vrede, maar tot elke prijs Juda levert het bewijs, Dat men deze heersers ducht, Elke moeilijkheid ontvlucht.
Nauwelijks heeft men hem gevonden, Of de richter wordt gebonden. Vooraf deed men hem verstaan-Juda valt op u niet aan. Die belofte deed hem goed, Hij vergiet geen broederbloed.
Later heeft het volk der Joden, De Messias willen doden. Eenmaal brak Zijn ure aan, Toen liet Hij zich binden gaan. Eigen volk dorst zo te handelen, En hetzelfde pad bewandelen, Dat het volk van Juda ging, Toen men Simscm in hun kring, Met twee touwen heeft gebonden, Ja de Filistijnen konden, Nu wel juichen zo men dacht, Doch wie let op Simson's kracht? Spoedig zal men het bemerken: Als Gods Geest in hem gaat werken, Dan verricht hij kloeke daden, Touwen zijn als linnen draden, Alree van het vuur gebrand, Banden vallen van zijn hand. Welk wapen zal hij pakken? Wacht, een ezelskinnebakken, Ligt daar voor hem op de grond. Simson vatte het terstond.
Juicht ge nu nog Filistijnen, Nu g' uw vijand ziet verschijnen? Eerder dan dat gij 't verwacht, Ondervindt ge wéér zijn kracht. Duizend man door één verslagen! Weer is 't één der hoogtij-dagen, Voor een Nazireër Gods, Die niet vrij van zekere trots, Eigen overwinning viert, Wijl de ootmoed hem niet siert. Simson, trots op deze dingen, Zal zijn heldenzang nu zingen. Zie, men hoort hem dus gewagen: Ik heb duizend man verslagen.
Simson is een ogenblik, Wel vervuld met 't eigen ik.
Enkele ogenblikken later, Snakt hij, uitgeput, naar water. En als er nu Filistijnen, Op het slagveld hier verschijnen, Was het stellig met die held, Door de dorst zeer droef gesteld. Wat zal d' overwinning baten, Als hij 't leven hier moet laten? Simson roept de Heere aan: Zal 'k van dorst nu sterven gaan? Gij hebt immers juist, zoeven, Ons dit grote heil gegeven? Gij deedt wonderen, Gij alleen. Toen 't voor ons onmogelijk scheen.
God deed een fontein ontspringen, En geen Filistijnen gingen Nu in Askelon of Gath, Of menig andere stad, Melden dat men Simson toch Had gevangen; God zorgt nog.
Eigen krachten te verachten, Dat heeft 1 Simson hier geleerd, 't Eigen ik trad op de voorgrond, En dan gaat het steeds verkeerd.
Dit is de les voor U en mij: 't Eigen ik moet worden: Gij. Gij toch Gij zijt de roem, De kracht van hunne kracht. Zó wordt des mensen ik, Er onder steeds gebracht. Totdat eens, bij de laatste snik, De doodsteek volgt voor 't eigen ik. J
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 augustus 1957
Daniel | 8 Pagina's