JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Het oude Bondsvolk en zijn sociale  voorzieningen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het oude Bondsvolk en zijn sociale voorzieningen

5 minuten leestijd

We beleven thans een tijd, waarin men steeds spreekt en hoort spreken over de z.g. sociale voorzieningen. In dit verband spreekt men zelfs wel over „van de wieg tot het graf." Men denke ook nog aan cle onlangs in werking getreden wet op de algemene ouderdomsvoorziening. We willen daar nu niet verder op ingaan, maar het leek ons goed, eens na te gaan, wat zoal de sociale voorzieningen waren in het oude Israël. Mogelijk hebben we daar ook nog iets aan voor onze tijd.

De armen.

Het Oude Testament houdt zich opval-

lend veel bezig met de armoede als sociaal probleem. Het verschijnsel der armoede heeft de Israëlietische gedachtenwereld blijkbaar geducht geschokt. Dat blijkt wel uit de verschillende woorden, die het Hebreeuws gebruikt, om het begrip „arm" aan te duiden.

We zullen die woorden niet noemen, alleen trachten er een omschrijving van te geven.

a. We treffen clan dikwijls een woord aan, waarmee aangeduid wordt de mens, die zich bevindt in een toestand van verminderde capaciteit, kracht of waarde; de ellendige, armzalige, deerniswaardige mens. De ellende van deze mens is in zeer veel gevallen economische armoede, vooral in de eerste vijf Bijbelboeken. In het kleine boerenvolk cler Israëlieten bevond deze arme zich in de weinig benijdenswaardige, vernederende toestand van dienstbaar te zijn aan beter gesitueerden. Ook al was hij geen slaaf, doch een vrij man, in sociaal opzicht was hij volkomen afhankelijk van cie heer, in wiens dienst hij zich bevond. b. Nauw verwant met deze groep zijn de armen, die iets meer in zich hebben van een vrijwillige vernedering, speciaal voor Gods aangezicht, zodat het dikwijls de zin heeft van „ootmoedig." In de loop van Israëls geschiedenis groeit er dan ook een merkwaardige relatie tussen de begrippen „arm" en „vroom." We hopen hier later op terug te komen.

c. Vervolgens krijgen we de mens, die graag iets hebben wil, wat hem ontbreekt, die iets probeert te krijgen, waar hij gebrek aan heeft, clus de bedelaar, die een beroep doet op cle barmhartigheid of de weldadigheid van cle medemens. d. Ook treffen we aan de „mageren" in het Oude Testament. Dat zijn de kleine lieden in cle maatschappij, die van een mager stuk brood moeten leven.

e. Tenslotte komt nog een woord voor, clat het meest neutraal van kleur is en vooral in de Spreuken voorkomt. Het duidt alleen de feitelijke toestand aan, dat de arme beroofd is van materiële goederen.

De arme, niet zonder inkomsten.

We merken overigens nog op, dat een arme in cle Bijbel lang niet altijd zonder bestaansmogelijkheid is.

Volgens Ex. 30 : 15 moeten zowel de

rijke als de arme als hefoffer een halve sikkel bétalen.

sikkel bétalen. Bij het brengen van offers in natura wordt van de arme weliswaar minder verlangd dan van de rijke, maar helemaal vrijgesteld, was de eerste in geen geval. Er wordt dus wel rekening gehouden met de economische omstandigheden. De arme mag als zondoffer een paar tortelduiven of jonge duiven brengen en deze in Palestina in het wild levende dieren, kon de armste mens nog wel te pakken krijgen. Anderzijds was het voor hem ook weer een kostbare offergave, omdat het dikwijls het enige vlees was, dat hij kreeg.

Een melaatse, die beter geworden was, moest een reinigingsoffer brengen, dat o.a. bestond uit twee lammeren en een éénjarig ooilam. De arme mocht hiervoor nemen één lam en twee duiven, dus een aanzienlijke tegemoetkoming (Lev. 14.) Hier is dus sprake van een arme, die nog een lam als offer kon geven.

Het karakteristieke der armen.

We zagen, dat bezitloosheid niet het kenmerk van de Israëlietische armen was, maar wat dan wel?

Deze vraag is daarom zo moeilijk te beantwoorden, omdat voor alle delen van het Oude Testament geen gelijkluidend antwoord gegeven kan worden. In de eerste Bijbelboeken is voor de armen karakteristiek, dat zij geen eigen grondbezit, wijngaarden of olijfbomen hadden. Daarom hadden zij het recht op de veldvruchten, druiven en olijven, die in het Sabbatjaar groeiden. Bovendien moest elke boer ieder jaar het graan op de hoeken van zijn akker laten staan voor deze armen en verder hadden zij het onvervreemdbaar recht, de bij het oogsten gevallen of vergeten aren op te lezen. (Men zie hiervoor Ex. 23 : 11, Lev. 19 : 9, Lev. 23 : 22).

In Deuteronornium blijkt de arme soms het allemodigste niet te bezitten, zodat hij soms lévensmiddelen bij anderen moest gaan lenen. Daarbij werd hem soms zijn enige stuk bovenkleding als pand ontnomen, of zijn handmolen, waarmee hij het koren voor zijn dagelijkse maaltijden maalde. Toch was hij een vrij man in tegenstelling tot de slaaf. De slaven waren meestal niet-Israëlieten, terwijl de armen wel tot het volk Israël behoorden.

De eerste vijf Bijbelboeken verstaan in het algemeen onder „arme": de Israëliet, die zelf geen grondbezit heeft om er zijn brood op te verdienen.

In de loop van Israëls geschiedenis geraakt deze kenmerkende trek op de achtergrond, om plaats te maken voor een veel intenser vorm van armoede. De sociale kloof tussen rijkdom en armoede wordt hoe langer hoe groter, doordat het grootgrondbezit zich steeds meer verrijkte ten koste van de steeds armer wordende kleine lieden.

Jesaja spreekt over de armen als mensen, die blijkbaar nog niet verstoken zijn vai^. elk middel van bestaan.

Ruim honderd jaar later tekent de profeet Jeremia ons vlak voor de ballingschap de armen als mensen, die absoluut niets bezaten.

Na de ballingschap schijnt de wijde kloof tussen een in weelde levende bezittende klasse en een berooid proletariaat van bedelaars hoe langer hoe groter te worden.

Tot in de laatste geschriften van het Oude Testament blijven de Hebreeuwse woorden voor „arm" termen, die op zichzelf echter niet nauwkeurig de graad van armoede omlijnen, waartoe de betreffende slachtoffers vervallen waren.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 juli 1957

Daniel | 8 Pagina's

Het oude Bondsvolk en zijn sociale  voorzieningen

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 juli 1957

Daniel | 8 Pagina's