Het schone rondom ons
Onze tijd leent zich niet meer om onze aandacht te vragen voor het simpele en nietige in de natuur. Wij hebben het allemaal te druk, en als het vakantie is, dus voor een wijle de dagelijkse slommer op zij is gezet, dan jakkeren we overal heen: we fietsen en „brommen" en „bussen" het schone voorbij, in de Waan, dat we het mooie opzoeken. We horen het leeuwerikslied niet meer vanwege de herrie die gemaakt wordt. En toch is het lied van dat dier niet veranderd. Een vluchtige blik is voldoende voor een oud bouwwerk, waar eeuwen gaan spreken van mensen, die gingen de weg van de ganse aarde, 't Gaat vlug, want er staat nog meer op het programma; 't moet vlug, de vakantie is kort en die korte tijd moet benut: krijgen wat er maar te krijgen is. Alles moet vlug gaan en geweldig zijn: wij leven in het atoomtijdperk! Guido Gezelle, de priester uit Vlaanderenland, had geen haast en daardoor wellicht oog voor het eenvoudige en schone. Deze gevoelsman kon stilstaan bij een sloot, waarover waterkevertjes „liepen":
Gij loopt over 't spiegelend water klaar, en 't water niet méér en verroert dan of het een gladdige windje waar, dat stille over 't waterke voert.
Schrijverkes noemt Gezelle ze en hij vraagt zich af, wat ze schrijven. En het antwoord komt:
„Wij schrijven, " zo sprak het, „al krinklend af het gene onze Meester, weleer, ons makend en lerend, te schrijven gaf, één lesse, niet min noclite meer; w5j schrijven, en kunt gij die lesse toch niet lezen, en zijt gij zo bot? Wij schrijven, herschrijven en schrijven nog, de heilige Name van God!"
Zo ging het ook bij Gezelle, wanneer hij langs het riet liep. Hij hoorde de stem van die planten:
„O, 't ruisen van het ranke riet! hoe menig mens aanschouwt u niet en hoort uw zingend harmonij, doch luistert niet en gaat voorbij! voorbij alwaar hem 't herte jaagt, voorbij waar blinkend goud hem plaagt; maar uw geluid verstaat hij niet, o mijn beminde ruisend riet!"
Wie staat stil te kijken naar kleine insecten, die over het water zwieren; wie blijft luisteren naar cle stem van het riet? Wie staat geruime tijd te kijken naar een waterlelie? Geen tijd! Er is wel meer te doen!
Laten we er eens naar kijken, door de ogen van Frederik van Eeden:
Ik heb de witte waterlelie lief, daar die zo blank is en zo stil haar kroon uitplooit in 't licht.
Rijzend uit donker-koelen vijvergrond, heeft zij het licht gevonden en ontsloot toen blij het gouden hart. Nu rust zij peinzend op het watervlak en wenst niet meer ....
Waarom is dit korte gedicht zo mooi? Rijmen doet het niet eens; de regels zijn vrij onregelmatig. De dichter zegt wat hij ziet en voelt en daarom is het zo echt. Hij ziet die schone bloem op het water liggen, met de witte, uitgeplooide kroonbladen. En dan gaat hij denken hoe die bloem er is gekomen: uit de donkere, koude bodem van de vijver is ze gaan zoeken naar het licht, en toen dat was gevonden, heeft de bloem haar hart geopend: de vele, gele meeldraden. En nu is cle bloem er: meer begeert ze niet; ze rust en peinst over de geheimen van het licht en er is niets meer te wensen over. Wanneer we nu het gedicht nog eens lezen, de eerste strofe stil, met gedempte toon, de tweede met meer voller geluid, om clan de slotregels langzaam op te zeggen, dan zullen We pas bemerken, hoe echt Van Eeden zich hier heeft uitgedrukt.
De waterlelie is voor hem een beeld van zijn leven. Hoe is hij zoekend geweest naar het licht: hij stichtte te Bussum de kolonie Walden, waar men in gemeenschap van goederen zou leven. Deze onderneming mislukte. Later trachtte hij het licht te vinden door over te gaan naar cle roomse kerk. Hij zal het licht niet gevonden hebben. Hoe zou het ook kunnen, in een kerk, waar geen algenoegzame Zaligmaker wordt beleden!
Onwillekeurig zouden we het beeld van cle waterlelie kunnen toepassen op een mens, clie in cle duisternis wandelt en naar het licht zoekt, en het licht tenslotte mag aanschouwen, maar dan gaan de slotregels niet op: er blijft wél een wensen over, want het licht wordt weer ingetrokken, de dagen der duisternis zijn meestal vele en er zal een wensen overblijven naar
In 't licht Uwes aanschijns zullen ze gaan al 't same En hen verheugen in cle roem van Uwen Name,
maar .... dat blijft voor Boven bewaard.
Index.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 juli 1957
Daniel | 8 Pagina's