Studd moet naar Afrika, maar wat zegt de dokter?
Na de terugkeer van Studd in Engeland, behoefde de zendeling zijn dagen niet ledig door te brengen. Van alle kanten vroeg men hem om als spreker op te treden, vooral van de zijde van de studenten. Elke keer opnieuw als hij optrad voor het een of ander gezelschap, boeide hij de toehoorders door zijn eenvoudige wijze van zeggen. Overal getuigde hij van de rijkdom die in Christus is. In de restaurants sprak hij met de kellners; met de koetsiers van de huurrijtuigen knoopte hij gesprekken aan en zodoende zaaide hij aan alle wateren.
Soms gebeurde het wel, dat hij werd uitgenodigd op een gemeenschappelijke maaltijd. Dan sprak hij in de regel cle medeaanzittenden aan. Eén van die toespraken is bewaard gebleven. Het was op een maaltijd van een elub van zakenlieden. De zendeling sprak toen ongeveer het volgende: „
Mijne Heren, gij hebt een rijkelijke maaltijd genoten en dus zult gij voor een openhartig woord ontvankelijk zijn. Ik zal u niet vervelen met een schoolmeesterachtige of academische redevoering, maar ik zal spreken in de gewone taal, die wij gebruiken, midden in de strijd van het leven of wanneer we van hart tot hart spreken. Vroeger had ik een andere godsdienst dan thans. Daarover sprak men fluisterend, voorzichtig en in bedekte termen. Men doorzocht de Bijbel naar verborgen waarheden, maar er was toen geen gehoorzaamheid en geen zelfopoffering. Toen kwam de ommekeer: de woorden werden daden. De geboden van Christus bleven geen spreuken voor de zondag, maar ze werden oorlogsbevelen, die men te gehoorzamen had, zo men niet alle zelfrespect en besef van mannelijkheid verliezen wilde. De instemming met de geloofsbelijdenis werd tot een beslissende daad der gehoorzaamheid. Orthodoxie werd werkelijkheid. Inplaats van met een stem vol eerbied telkens „Heere, Heere" te zeggen en onderwijl doof te blijven voor de eenvoudigste geboden Gods, begon ik nu op te zien tot God als tot mijn werkelijke Vader, op Hem te vertrouwen als op mijn werkelijke Vader. Inplaats van over gemeenschap te spreken, ervoer ik die. Inplaats van onnatuurlijk en gedrukt, werk ik natuurlijk en ongedwongen. Ik sprak tot God en Jezus Christus, zoals men tot vrienden en verwanten spreekt. Wanneer iemand bereid is zichzelf te verloochenen en te gehoorzamen, leert hij spoedig hoe het discipelschap van Gods Zoon, Jezus Christus, gezegende werkelijkheid wordt: een innige en vertrouwde omgang met Hem. Met andere woorden: ik legde alle zalving en vormelijkheid af en werd een Christen. En dit heb ik uit het Nieuwe Testament geleerd: vroomheid is geen uiterlijke onderworpenheid en daarnaast tegelijk ongehoorzaamheid, maar kinderlijke gehoorzaamheid, vertrouwen en liefde."
In 1908 zien we Studd in een van de straten van Liverpool wandelen. Een aanplakbiljet op een raam van een groot gebouw trekt zijn aandacht. Hij leest: „Dr. Karl Kumm zal spreken over het onderwerp „kannibalen hebben zendelingen nodig."
Studd glimlacht even. Het woord „zendeling" moet zijn aandacht wel trekken en dat er steeds nog kannibalen zijn, weet hij ook maar al te goed. Op de aangekondigde tijd stapt hij het gebouw binnen. De spreker is niet lang nog geleden terug gekeerd van een reis dwars door Afrika en spreekt dus van ondervinding. Vele volksstammen, zo zegt hij, hebben nog nooit een zendeling gezien. Wie zijn er wél geweest? Jagers op groot wild, Arabieren, geleerden, ambtenaren en bodemonderzoekers, maar een afgezant van Christus Jezus heeft nog nooit zijn voeten op die plaatsen gezet.
Wat luistert Studd! De woorden van Kumm zijn hem uit het hart gegrepen. Waarom zijn daar nog nooit zendelingen geweest, vraagt hij zichzelf af. En dan komt plotseling een stem tot hem van binnen: „Waarom gaat gij niet? " Als Mozes weleer, heeft ook Studd zijn tegenwerpingen: „De doktoren zullen het me verbieden." Maar de stem van binnen antwoordt: „Ben ik niet de beste dokter? Kan ik u daar niet beschermen? "
Nu weet Studd met zekerheid, dat hij geroepen wordt om naar Afrika te gaan. Er wacht nieuwe arbeid op hem, maar zal hij er toe in staat zijn? Zijn gezondheid is de laatste jaren niet zo best en hij is de vijftig al gepasseerd. Daar komt nog bij, dat hij helemaal geen geld heeft.
Toch kan hij Afrika niet vergeten en hij moet Karl Kumm er over spreken. Kumm vertelt hem dat de Mohammedaanse zending snelle vorderingen maakt in het zwarte werelddeel en dat het tijd wordt om een dam tegen de Islam op te werpen. Het resultaat is, dat er een commissie wordt gevormd, die het voorbereidend werk ter hand zal nemen. Er wordt beloten dat Studd en Kumm eerst het zuidelijk deel van de Soedan zullen bezoeken om zich op de hoogte te stellen van de omstandigheden waarin de bewoners daar ver-
keren. De commisie is slechts dan bereid geld te storten, als Studd een gunstig rapport van de dokter krijgt.
In verschillende steden treedt Studd nu op om te spreken over de plannen hel Evangelie te brengen in het hart van Afrika. Hij wacht ondertussen het advies van de arts af. Is dat advies gunstig, dan komt er ook geld voor de onderneming; zo niet, dan zal er van de reis naar de Soedan niets komen bij gebrek aan geldmiddelen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 april 1957
Daniel | 8 Pagina's