OFFERS
De Crrole Verzoen laq (vervolq)
Bij de Grote Verzoendag sloot zich het blijde Jubeljaar aan. Als de zeven maal zeven jaar waren voorbijgegaan, kondigde op de tiende dag van de zevende maand van het vijftigste jaar, het geklank der zilveren bazuinen het Jubeljaar aan. Het jaar der vrijheid, het jaar der herstelling van allerlei verbroken evenwicht was aangebroken. Heel het land rustte. Wat in het wild groeide, mocht de arme nemen. De lijfeigene kon de vrijheid weer terugkrijgen, het onroerende goed keerde tot de oorspronkelijke eigenaar terug. En al was het nu ook, dat lijfeigenschap en armoede al spoedig weer terugkwamen, elke gevierde Grote Verzoendag bracht het volgende Jubeljaar weer dichterbij. Geen wonder, dat een feest van zoveel betekenis en van zoveel ongewone plechtigheid het geestelijke hoofdfeest van Israël was. En toch was heel dit feest, hoe groot en geweldig dan ook, nog maar de afschaduwing van veel groter en heerlijker dingen, die in de nieuwe bedeling zouden worden gegeven. „Want het is onmogelijk, dat het bloed van stieren en bokken de zonden wegnemen." (Hebr. 10 : 4). Met het offerbloed kan de zondeschuld slechts zinnebeeldig worden bedekt. Ook cle Hogepriester zelf staat schuldig, wat blijkt uit het brengen van het eerste offer. • Niet anders dan in de nevel van reukwerk kan hij voor God verschijnen. Met zijn voorbede treedt hij voor Israël bij God in, maar ook dit draagt een tijdelijk karakter. Steeds weer moet er een Grote Verzoendag komen, jaar in jaar uit moet het werk der verzoening herhaald; cle geslachten der Hogepriesters volgen elkaar op in de loop der eeuwen. Neen, cle ware rust is er niet. Van „Het is volbracht" kan nog niet worden gesproken. Jezus Christus wordt het grote offerlam, Hij cle grote Hogepriester.
Wij nemen aan, dat de meeste lezers hiermee niets nieuws wordt gezegd. Bij cleze waarheden zijn we opgevoed van kindsbeen af. Daardoor dreigen er echter grote gevaren. We gaan zo gemakkelijk zeggen: e weten het wel. We gaan cle dingen vanzelfsprekend vinden. Op A volgt nu eenmaal B. Ge weet het wel, maar wat hebt ge er aan? Christus heeft in onze plaats gestaan, maar heeft Hij in uw en mijn plaats gestaan? Tenslotte zal het om deze persoonlijke beslissing gaan en eeuwig te betreuren zijn wanneer we cloor het vele „ons" het „mij" daarin oplossen. Het is onze zonde mijn zonde, die roept om verzoening, en die getuigt, dat wij, clat ik des doods schuldig ben. Daarom hebben wij nodig een Hogepriester, heilig, onnozel, onbesmet, afgescheiden van cle zondaren en hoger dan de hemelen geworden; Dien het niet alle dag nodig was, gelijk cle hogepriesters, eerst voor zijn eigen zonden slachtofferen op te offeren, daarna voor de zonden des volks; want dat heeft Hij eenmaal gedaan, als Hij Zichzelven opgeofferd heeft" (Hebr. 7 : 26— 27).
De sterfdag van de enige Hogepriester is cle grootste Grote Verzoendag geworden. De gelovige Israëliet, de zegen van cle Grote Verzoendag kennende, moest nog de verzuchting slaken: „Och, dat Gij cle hemelen scheurdet, clat Gij nederkwaamt. De gelovige van cle nieuwe dag mag verstaan: „God is geopenbaard in het vlees." Wat op cle Oud-Testamentische Grote Verzoendag schaduw was, is in het licht getreden in Jezus Christus.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 april 1957
Daniel | 8 Pagina's