Inspiratie en onmacht
Het „hoopvol, aarzelend ontkiemen, dat opbloeit in een wervelende bloei ', zoals Hannie Machaelis het uitdrukt (zie „Daniël '-nummer van 22 maart) hebben we kunnen waarnemen in de natuur. In genoemd nummer is er toen op gewezen, dat de dichteres ook bedoeld heeft: het ontluiken van haar dichterschap om verder tot ontplooiing te komen: bij haar is een verlangen om zich te kunnen uiten; te „zeggen" wat ze ziet en doorleeft. Om zich te kunnen uitspreken is er inspiratie nodig, een onnoembare gewaarwording, die haar aan het werk zet. Zij voelt zich afhankelijk; de gave die ze bezit moet ontwikkeld en tot daden aangezet. Wanneer ze een paar wilgen ziet, waarvan de smalle bladeren door de zachte wind worden beroerd, dan zegt ze:
„Ik ben als zij een harp in 't morgendal, wachtende op de wind die mij bespelen en op de storm die mij ontwrichten zal."
Let hier op het woord „morgendal": met dat woord is kort en klaar de nieuwe dag getekend; wind is er nog niet, daarom wordt er op gewacht. De dichteres staat ook aan het begin van haar loopbaan; de volle dag moet nog beginnen. In die dag zal ze moeten wachten op de wind, de inspiratie, om te kunnen spelen, zingen, dichten. Maar.... en dan kcmt weer het wrange van de na-oorlogse tijd: ontwrichten, dat is met geweld ontworteld worden; dus niet langzaam afsterven: zo velen zijn in de oorlog, nog voor de avond kwam, op de middag van het leven, zo plotseling weggemaaid.
En als de inspiratie komt. . .. dan moet ze zingen, dan uit ze zich in zangen en is ze niet meer in te houden; dan wellen de woorden op in het binnenste van haar, vrolijke en klagende gedichten, al naar het geïnspireerde voorval. Dan denkt ze te kunnen doordringen tot de diepste geheimen; op te klimmen tot de hemel 0111 de eeuwige dingen te verklanken. Maar de stem wordt dan ijl (dunne stem) en het lukt niet. Zij voelt een grote ontoereikendheid:
Sla mij open als een boek en blader mij geduldig door: bladzij aan bladzijde bevat het meelijwekkende verhaal van een bij uitstek kleine ziel die zich verbeeldde groot te zijn en tot de hemel in te gaan wanneer zij klapwiekend verrees en fladderend de grond verliet, terwijl zij met een dunne stem vergeefs de eeuwigheid aanriep.
Nu beginnen de vogels te jubelen, onbewust hun Schepper groot makend. Zij stijgen omhoog en hun stemmen zijn zuiver en overstemmen het geluid van de mens. 's Morgens zijn de vogels de eersten, bij het krieken van de dag; 's avonds zijn ze de laatsten om de dag te besluiten met hun welluidend geschal.
Rondom haar stegen zonder tal de vogels jubelend omhoog en zij bleef achter, hulpeloos, deemoedig smekende om kracht. Haar bang en aarzelend geluid stierf weg voordat het werd gehoord, door duizend kelen overstemd, verpletterd door hun heerlijk lied.
En wat was nu de uitkomst? Beschaamd moet de dichteres zwijgen: hoe kan een mens zich meten met een vogell Zij voelt zich te klein en onmachtig om op te klimmen naar boven. Wie kan de zuiverheid der vogels benaderen?
Toen brak haar stem van schaamte af en duizelende sloeg zij neer. — Zij heeft de hemel nooit bereikt en is gebleven wat zij was: een kleine ziel.
INDEX.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 april 1957
Daniel | 8 Pagina's