Op vele plaatsen werkzaam
Studd was, met vrouw en kinderen, weer gearriveerd in het grote ouderlijk huis. Het was een lange vermoeiende reis geweest uit de binnenlanden van China naar de kust. Ook gevaarlijk, want er was oorlog uitgebroken tussen Japan en China. De reizende vreemdelingen werden als vijanden van het Chinese volk beschouwd, maar wanneer de Chinezen de kinderen hoorden spreken in onvervalst Chinees, dan wisten ze het niet meer. Dan mompelden ze: „Zie je wel, die kinderen spreken onze taal, want ze zijn met ons voedsel grootgebracht."
Meewarig keek Studds familie het teruggekeerde zendelinggezin aan. „Wat moest Charles ook naar dat verre China ÖÖ " gaan doen? Waarom moest hij een schone toekomst vergooien? Nu moet je toch eens zien, hoe slecht de mensen het gehad moeten hebben! En die kinderen kunnen geen woordje Engels; die zijn in het wilde opgegroeid. En nu zullen ze voor de familie een grote last gaan uitmaken, want die familie zal ze moeten onderhouden."
Met dat onderhouden zou het echter wel meevallen, want wat gebeurde? Regelmatig ontving Studd cheques van iemand, die de zendeling nog nooit had ontmoet. Na de plotselinge dood van deze man zette een ander dat werk voort, zodat er geen geldelijke nood was.
In het huis van zijn moeder knapte Charles zienderogen op. Al spoedig begon hij zich weer de oude te voelen. Nu was er ook geen houden meer aan: hij moest gaan werken. Verscheidene uitnodigingen had hij ontvangen om te komen spreken over het zendingswerk en aan die uitnodigingen zou hij gevolg geven. Ook zijn familieleden, die zonder God in de wereld leefden, ging hij persoonlijk bezoeken met het doel ze te wijzen op de enige Naam, gegeven tot zaligheid. Ook uit Amerika kreeg Studd verzoeken om te spreken. Daaraan voldeed hij ook, maar daar was iets, dat hem tegen de borst stuitte. Op echt Amerikaanse wijze werd in de krantenverslagen geschreven over „de belangrijke man", om daardoor het volk warm te maken voor de zaak. Maar Studd vond zichzelf geen belangrijk man. Dat schrijven in de kranten noemde hij misselijk, en toen op een avond hij ingeleid werd met zulke grote woorden, riep hij uit: „Als ik had kunnen voorzien, dat hier iets in deze geest zou worden gezegd, zou ik een kwartier later zijn gekomen. Wij willen er niet meer aan denken en ons in ons gebed hiervan reinigen."
Edward Studd, de vader van de zendeling, was zoals we weten, als rijk planter uit Engels-Indië in Engeland gekomen. Hij was daar tot bekering gekomen en toen sprak zijn geweten, want. ... de planters hadden geen ander doel dan zo spoedig mogelijk rijk te worden, meestal ten koste van arme inlanders. Nu was de laatste wens van vader Studd geweest, dat zijn zoon naar die streek" zou gaan om daar zoveel mogelijk goed te maken waarin hij was te kort geschoten. De zoon, zendeling Studd, had daar meer dan eens over gedacht en toen een oude vriend van zijn vader, de planter, er op aandrong die laatste wens te vervullen, kon Charles niet meer in Amerika blijven.
In de streek, waar zijn vader had geleefd, arbeidde Studd een half jaar onder planters en ambtenaren. Toen de zes maanden waren verstreken, ontving hij een beroep van de gemeente Utakamand om zich als predikant aan clie gemeente te verbinden. Dit beroep werd aangenomen en gedurende zes jaren werkte hij daar onder planters, ambtenaren, soldaten en inlanders. Hier kwam hij ook in aanraking met cle gouverneur van Madras en diens echtgenote. Deze hooggeplaatste mensen namen hem in hun woning liefderijk op, toen tekenen van astma zich begonnen voor te doen bij Studd. In die zes jaren heeft hij veel aan clie ziekte geleden. Het gebeurde vaak, dat hij niet in slaap kon komen vanwege de benauwdheid. Rondom in de kussens zat hij rechtop naar adem te snakken. Onder de morgen viel hij dan in slaap, maar die slaap duurde meestal maar een paar uren. In clie tijd werd hij het middel voor een hooggeplaatst militair, clat deze tot het geloof kwam. In ruim twintig jaar had clie militair geen Bijbel meer onder ogen gehad. Zijn zoontje bezocht evenwel de samenkomsten, die door Studd werden geleid. Thuis gekomen, sprak de jongen: „Vader, u moet Studd toch eens een keer gaan horen. Hij spreekt op de kansel over brood en boter." De knaap sprak zo overtuigend, clat de vader nieuwsgierig werd om naar die spreker toe te gaan. Nu is het bekend, dat Studd op de man af sprak, op een indringende manier, het vuur aan de schenen leggende. Ook nu, toen de onkerkelijke militair onder zijn gehoor was, sprak hij met grote overtuiging en ernst. De nieuwsgierige militair kon er niet meer van onderuit. Hij moest voortaan zijn schreden wel richten naar de kerk als het dienst was; zijn Bijbel werd trouw gelezen en al clie dingen werkten mee tot bekering.
In 1906 keerde Studd naar zijn vaderland terug. Zijn dochters hadden cle leeftijd bereikt, dat ze onderwijs in Engeland moesten ontvangen. Op clie leeftijd was Studd ook gekomen toen zijn vader Brits-Indië had verlaten.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 maart 1957
Daniel | 8 Pagina's