VRAGENBUS
r n Correspondentie deze rubriek aan : roor T MOLENAAR f.eede IN. Roller.lnm-Zutd L. >
J. II. te B. schrijft mij het volgende:
„Toen Christen en Hopende uit de Christen-reize van Bunjan ontkomen waren uit het kasteel „Twijfel" van de reus Wanhoop, beklommen zij de Liefelijke bergen, alwaar zij na een nacht geslapen te hebben door de herders werden rondgeleid. Bij al het vreemde dat zij daar zagen bemerkten zij op een andere berg, genaamd „Toezicht", in de verte verscheidene mensen op en neder wandelende tussen de begraafplaatsen, die daar waren. En naar het hun toescheen waren zij blind, want zij stieten zich verscheidene malen aan de graven. Op de vraag van Christen en Hopende wat dit toch was antwoordden de Herders hen, dat deze reizigers eens een betere weg kozen, daar de juiste weg naar de Hemelstad hen te hard en ongemakkelijk was, maar zij werden betrapt door Reus Wanhoop, die hen op het laatst de ogen uitstak en naar deze begraafplaats leidde, opdat vervuld werd het woord van de wijze man: „Een mens, die van de weg des verstands afdwaalt, zal in de gemeente der doden rusten."
Als het in de lijn van „Daniël" ligt zou U mij dan als het mogelijk is uit het bovenstaande wat licht kunnen geven, daarbij vooral de laatste zin."
Antwoord: Onder de geschriften, die Bunjan heeft nagelaten staat bovenaan: „De pelgrimsreis naar de eeuwigheid." Het eerste gedeelte verscheen in 1678 en het tweede gedeelte in 1684. Dit boek is een van de meest gelezen boeken. Het \ werd in vele talen overgezet. Het is een schitterende allegorie. Het boek beschrijft, hoe Christen uit de stad des verderfs vliedt, door vele raadslieden wordt aangesproken, door anderen wordt beangstigd, maar door trouwe vrienden, zoals Evangelist, Uitlegger en anderen op zijn réis naar Sion gesteund wordt.
Bunjan had een diep inzicht in het leven der genade. Daarbij verstond hij de taal van Gods volk. Hij sprak veel over de noodzakelijkheid der bekering en de rijkdom der genade. Om nu tot de vraag te komen. Het gedeelte in de vraag aangehaald, wijst er op, dat de weg naar de Berg Sions opkort. Reeds veel heeft Christen ondervonden. Op de tinnen van het Paleis Liefelijkheid kon hij de eeuwige stad nog niet zien, alleen kon men van verre de Liefelijke Bergen aanschouwen. Nu betreden hen de voeten der reizigers en van hieruit kunnen zij een blik slaan op het beloofde Land. Zij ademen hier in berglucht en de vergezichten zijn wijd en verkwikkend en hier kunnen zij zingen: Hier weidt mijn ziel met een verwonderend oog. Hier ontmoeten zij 4 herders. Zij dragen de naam van Kennis, Ervaring, Waakzaam en Oprecht. Deze herders vormen een wondervolle harmonie. In volkomen onderlinge liefde, vullen zij elkaar aan en te zamen hebben zij de wacht over de schapen, die aan hun zorgen zijn toevertrouwd. Ieder begrijpt, dat we hier een zinnebeeldige voorstelling hebben van het herders-en leraarsambt in Christus kerk. Hier ontvangen Christen en Hopende onderwijs. Zo worden zij gebracht bij de heuvel „Behoedzaamheid". (Het boekje waaruit U citeerde noemt die heuvel „Toezicht"). Daar zien zij een aantal mensen hopeloos tussen de graven heen en weer dwalen. Dat zijn mensen, die al wisten zij beter, toch op verboden grond rust hebben gezocht en het gebruik hunner ogen in het Kasteel Twijfel verloren hebben. Zij zijn het, die niet door de enge poort op de weg des levens zijn gekomen, maar die over de muur zijn geklommen en op wie nu van toepassing is het woord uit Spreuken 21 : 16, wat U gaarne nader verklaard wil hebben.
Hier volgt dan de verklaring, zoas Dachsel die geeft.
„Een mens, die van de weg des verstands, van de wijsheid, die uit God is, afwijkt, en die der spotters, der dwazen of zelfzuchtigen bewandelt, zal in de gemeente der doden rusten, d.i. in de gemeenschap met alle verdoemden. Er is maar één weg tot de eeuwige zaligheid, die der Godsvrucht en der wijsheid; een dwaas is reeds hier een wezenloze schaduw, die reeds het leven mist."
Een oud-vader schrijft er van: „Hij zal rusten, na zoveel afzwervingen van het pad der deugd en na zoveel wroetens en woelens op het pad der zonde in de vergadering der hellewichten, bij de schimmen der onzaligen, op het harde bed van het verscheurend en nu ijdel naberouw, geprikkeld door die scherpe doornen van het felstekend geweten."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 maart 1957
Daniel | 8 Pagina's