Een merkwaardige oorlog (2 Kron. 20)
Koning Josafat regeerde Over Juda en begeerde 't Volk te leiden op die paan, Waar op 't Juda wel zou gaan; Tempeldienst kwam weer in ere, IJverend voor God de Heere, Stelt hij zulke rechters aan, Waardoor 't volk wordt recht gedaan.
Maar nu komen bange dagen. Moab, Ammon, ze belagen En benauwen Josafat, Die hen niet bedreigd zelfs had, Maar dit nageslacht van Lot, Vormt als 't ware één complot. Dit deelt men de Koning mee: Ze zijn bij de Dode Zee.
Nu een vasten uitgeroepen, Bij het naderen van die troepen. Nu vergaderd in Gods Huis, Bij het naderend krijgsgedruis. Daar staat Juda in de Tempel, Vorst en volk zijn 'n exempel, Van de allergrootste nood, Stort straks Juda in de dood, 'l Was een welverdiende straf, Indien God hen overgaf.
Josafat staat in hun midden. Hij gaat tot de Heere bidden, Wetende: Gods trouw is groot, Help ons Heere, in de nood. Doe opnieuw Uw almacht blijken, Dat de vijand moge wijken, Gij hebt Kanaan ons gegeven, Om aldaar in vree te leven, 't Is aan Isrel toevertrouwd: 't Heiligdom werd hier gebouwd. Opdat 't volk er moge bidden, Gij zijt immers in ons midden? Gij zult ons gebed verhoren, 't Is niet hopeloos verloren,
U beloofde Salomo, Dat Ge steeds wilt handelen zó. Zij vergelden kwaad voor goed, Deez' vijandelijke vloed, Want in dagen van weleer, Velden wij hen niet terneer. Om geen argwaan zelfs te wekken, Mochten wij door 't land niet [trekken,
lleere wij belijden 't nu: Onze ogen zijn op U. Het ontbreekt ons aan de krachten, Waarom wij 't van U verwachten, Zult Gij dan o grote God, Straks niet straffen 't zaad van Lot?
Dit gebed wou God verhoren Een Leviet was uitverkoren, Dit te melden vorst en volk, Als des Heeren trouwe tolk. Vrees niet Ju da voor die scharen, Wilt op 't groot getal niet staren. Gij zult geen verliezen lijden, Juda, God zal voor U strijden. Hij zal uwe zaken richten, En alzo uw druk verlichten. Juda, morgen is 't de dag, Dat ge hen ontmoeten mag. Staat en ziet het heil des Heeren, Juda, gij zxdt triumferen, Alzo is 't dat die Leviet, De vergadering horen liet.
Reeds wordt God op 't hoogst [geprezen, Zangers, van hun plaats verrezen, Heffen saam de lofzang aan, Prijzende Gods grote daan. Juda, nu in 't stof gebogen, Houdt dit grote doel voor ogen, God de Heere eer te geven, Voor Zijn majesteit te beven.
Hierin gaat de vorst hen voor, Bij het juichend Tempelkoor.
Dra is Juda uitgetogen, d' Overwinning als voor ogen, Zangers zag men toen vooraan, Aan het hoofd van 't leger gaan, Prijzende Gods majesteit, Voor de aanvang van de strijd.
Alzo is het toen gegaan: Een verwarring is ontstaan; Moab, Ammon, ja zij allen, Zijn elkander aangevallen, Men moog Juda dan belagen, Men heeft toen zich zelf verslagen, 't 'Ganse veld bedekt met lijken, Juda hoeft maar toe te kijken, Nu vol vreugde wordt vernomen. Niet één vijand is ontkomen. Wie zou hier Gods doen niet loven? Juda mag de buit gaan roven. Zie dat duurde zelfs drie dagen, Er was zeer veel weg te dragen. Het was op de vierde dag, Dat men dankdag houden mag. 't Dal Beracha (dal van zegen) Daar verneemt men allerwegen, Hoe de Heere wordt geëerd, En als Juda wederkeert, Zal men in het Huis des Heeren, Eerst gezamenlijk verkeren, Er brak weer een zangtijd aan, God had wonderen gedaan, Zodat koning Josafat, Nu een tijd van vrede had. Want dit had men wel verstaan, God is vreeslijk in Zijn daan. Ja een sterke vijand zwicht, Als God Zelf verwarring sticht. Als een vorst op God vertrouwt, Heeft hij op geen zand gebouwd.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 februari 1957
Daniel | 8 Pagina's