OFFERS
De Grote Verzoendag. (Vervolg)
Bij het brengen van het morgenoffer, waar we de vorige keer mee geëindigd zijn, droeg de Hogepriester nog zijn gewone kleding, maar die moet hij nu afleggen en verwisselen voor het witte gewaad. Voor de Hogepriester dat echter doen mag, moet hij eerst „zijn vlees met water baden." Voor de gewone priesterdiensten kon met een reiniging van handen en voeten worden volstaan, maar voor deze bijzondere hogepriesterlijke dienst werd een lichaamsreiniging voorgeschreven.
Intussen werden de van te voren gekeurde en uitgezochte dieren, die voor deze dienst nodig waren, aan de deur van de Tent der samenkomst gebracht. Zij bestonden uit „een var, een jong rund ten zondoffer" voor Aaron en zijn huis en uit „twee geitebokken ten zondoffer voor 't volk", dus voor de gemeente.
Aanstonds valt hier op, dat het offer voor Aaron en zijn huis veel kostbaarder is dan dat voor de gemeente: het kostbare voor een heel klein deel van het volk, het eenvoudige voor heel de gemeente. De Bijbel legt ons dit verschil niet uit. De verklaringen, die er voor gegeven worden, blijven dus veronderstellingen. In ieder geval gaat het hier beslist niet om het verschil tussen het offer van de beter gesitueerde en de minderbedeelde, zoals we dat bij de particuliere offers hebben gezien. Hier is dus geen sprake van een arme tegenover een rijke. Merkwaardig was ook nog, dat de kosten voor de var door de Hogepriester zelf moesten worden betaald, terwijl het offer voor het volk betaald werd uit, laten we zeggen, de kerkelijke kas.
Misschien kan de verklaring hiervoor de volgende zijn. We lezen zo in Rom. 5: „Waar de zonde meerder geworden is, daar is de genade veel meer overvloedig geweest." Kunnen we echter ook niet zeggen: „Waar de genade meerder is ervaren, daar is ook de schuld der zonde groter die door de begenadigde bedreven wordt, dan de schuld van uiterlijk dezelfde zonde die door een onbekeerde begaan is? " „Die de weg wel geweten en niet bewandeld heett, zaï met vele slagen geslagen worden." Aan degenen, die Hij in hoger staat in Zijn Koninkrijk gesteld heeft, bij die is de verantwoordelijkheid groter, maar ook de schuld, wanneer tegen zoveel gaven der genade gezondigd wordt. Aan de Hogepriester en ziin huis wordt door het zondoffer op de Grote Verzoendag duidelijk gemaakt, dat hij voor zichzelf ook verzoening behoeft. Dat is zijn grote schuld in zijn hoge roeping.
Laten we nu nagaan, wat er met die var gebeurde. Hij was bestemd tot een zondoffer voor de Hogepriester en zijn huis, dus ook voor de gewone priesters. Maar dan moest hij eerst tot een zondoffer gemaakt worden, d.i. met de zonden van hen beladen worden. Dit gebeurde, zoals we reeds eerder zagen, door handoplegging op de kop tussen de hoornen. Hierbij zal hoogstwaarschijnlijk wel een belijdenisformule uitgesproken zijn geworden, zoals men dat later tijdens de tweede tempel ook deed.
Hierna werd de var door de Hogepriester geslacht en 't bloed ervan werd in een gouden bekken opgevangen en aan een priester gegeven, die het al roerende met een gouden staaf, vloeibaar moest houden tot straks de Hogepriester het nodig heeft in het Heilige der Heiligen.
Eerst moet er echter nog iets anders gebeuren. De Hogepriester moet eerst nog een wierookvat nemen en daarin vurige kolen doen van het altaar, en zijn beide handen vullen met reukwerk van welriekende specerijen, klein gestoten, en hij zal het binnen de Voorhang dragen. „En hij zal dat reukwerk op het vuur leggen, voor het aangezicht des Heeren, opdat de nevel des reukwerks het verzoendeksel, hetwelk is op de getuigenis, bedekte, opdat hij niet sterve." (Lev. 16 : 13).
In dit reukwerk zien we het symbool van 't Godverheerlijkend en Gode welgevallige gebed, zonder 't welk de heilige God voor geen enkele zondaar te naderen is. Zonder dat reukwerk zou het de Hogepriester onmogelijk zijn zich achter dat tweede voorhangsel te begeven „opdat hij niet sterve." Ook hij kon de heerlijkheid Gods niet zien zonder te sterven. Zo zien we in dit reukwerk a.h.w. ook een gordijn tussen de eeuwige God en de sterfelijke mens.
Terwijl zich zo de Tabernakel vult met de rook van dit reukwerk, gaat de Hogepriester terug naar de voorhof om daar het bekken met bloed van de priester over te nemen, om daarmee weer naar het Heilige der Heiligen te gaan, via het Heilige, waar op dat ogenblik geen priester aanwezig mag zijn. Wat moet deze mens zich geweldig klein hebben gevoeld, staande voor de zetel van de heilige God, omhuld door de dikke wolken, die tegelijk het Verzoendeksel bedekken.
Nu steekt hij de wijsvinger van de rechterhand in het bloed van de var en besprenkelt daarmee het middelste gedeelte van het Verzoendeksel. Hij deed dat in de richting van het oosten, „waardoor hij zich met heel zijn priesterdienst naar de toekomst oriënteerde, die straks in zonneheerlijkheid zou opgaan, " daarna sprengde hij zevenmaal op de voorzijde van het Verzoendeksel. Zo wil God „bedekken" door middel van dat bloed, de overtreding van Zijn Heilige Wet, die de Hogepriester en alle Priesters, evenals heel het volk, aanklaagt van zonde en schuld.
„Welzalig is hij, wiens zonde bedekt is." (Ps. 32).
Terloops merken we een stijgende lijn op. Bij het zondoffer van de particulier komt het bloed niet verder dan de Voorhof en wordt daar gestreken aan de hoorn van het brandofferaltaar. Bij hetzelfde offer, maar nu voor de Priester en de gemeente, komt het bloed in het Heilige. Het wordt daar gestreken aan de hoorn van het reukofferaltaar. Op de Grote Verzoendag komt het offerbloed op de allerheiligste en hoogstbereikbare plaats, daar waar de Ark is.
De gelovige van de nieuwe dag mag echter nog een stapje verder gaan: Dewijl wij dan een grote Hogepriester hebben, Die door de hemelen doorgegaan is, namelijk Jezus, de Zoon van God, zo laat ons deze belijdenis vasthouden.' (Hebr. 4 : 14) en Hebr. 9 : 24: Want Christus is niet ingegaan in het heiligdom, dat met handen gemaakt is, hetwelk is een tegenbeeld van het ware, maar in de hemel zelve, om nu te verschijnen voor het aangezicht van God voor ons."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 februari 1957
Daniel | 8 Pagina's