De opvatting van ons beroep
RONDKIJK
Onze jongelingen zijn — voor zover ze niet meer op school gaan — in een beroep ingedeeld óf ze hopen dat spoedig te worden. Voor een gezond jong mens betekent het beroep „levensinhoud"; hij wil zich in zijn beroep handhaven, wat presteren, laten zien en bewijzen wat hij kan en daarmee op de maatschappelijke ladder (ook al staat hij nog maar op de onderste sport) vooruit komen. Ons huis en ons gezin is de plaats om uit te rusten en op verhaal komen; de plaats waar de privélevenssfeer heerst en waar we aan onze liefhebberijen kunnen doen. Deze liefhebberijen kunnen ook bestaan in studeren; wanneer men daarbij dan ziet, dat men goede vorderingen maakt, kan dat groot genoegen verschaffen.
Wanneer iemand echter geheel opgaat in zijn liefhebberijen, zonder intense belangstelling voor zijn beroep, voldoet hij niet aan zijn eigenlijke levenstaak. Wil het goed zijn, moeten we met ons werk een innerlijke band hebben; we moeten niet alleen werken om het loon, maar ook om het werk zelf.
De arbeid is ons mensen door God zelf op de hand gezet; onze catechismus spreekt van „trouwelijk" arbeiden en ons huwelijksformulier van een „goddelijk beroep" (wat het ook zijn moge, al is men putjesschepper.') waarin wij naarstig hebben te arbeiden, opdat wij ons huisgezin met God en met ere mogen onderhouden en ook daarenboven iets hebben, om aan de nooddruftigen mede te delen."
Nu kan men het in een bepaald beroep niet erg naar de zin hebben; het kan zijn, dat bepaald werk iemand „niet ligt, " maar toch moet men voorzichtig zijn bij verandering van beroep om wèl te overwegen wat de motieven zijn waarom men er niet van houdt, om later weer niet voor hetzelfde geval te komen/ te staan. Dat woordje „goddelijk beroep" hebben onze vaderen in het formulier ingelast, omdat er niet één beroep te min is en Gods voorzienende hand ook daarover gaat.
In een van de grote weekbladen in ons land las ik deze week, dat de Nederlandse arbeider over het algemeen vlijtig, werkzaam en ook wel capabel is, maar dat er onder een deel der jonge arbeiders een zucht tot lanterfanten is ontstaan, een verschijnsel, waarover menig fabrikant zich zorgen maakt. In bedrijven, waar de arbeidsdicipline wordt gehandhaafd, ziet men menigmaal jongeren wegtrekken, en wel, om meer ruimte te hebben, om de kantjes er af te lopen.
In hetzelfde blad las ik het extreme geval van een jonge kantoorbediende, in dienst bij een Amsterdamse groothandel, die om vijf minuten voor half zes een telefonische bestelling uit Oldenzaal begon te noteren. Precies om half zes brak hij het gesprek abrupt af, zeggende dat het half zes was. De rest van de bestelling moest maar tot morgen wachten; hij ging naar huis
En wat dunkt u, van het volgende, dat op een Rotterdamse scheepswerf gebeurt? Da schafttijd duurt daar een half uur. Te kort om brood te eten en even uit te blazen. De arbeiders willen dit zelf, omdat zij anders 's avonds een kwartier later thuis zouden zijn. Dat kwartier versieren ze er echter zelf bij, soms wel twintig minuten! Op vijfduizend arbeiders op die werf betekenen de dagelijkse verspilling van twintig minuten in één jaar 500.000 arbeidsuren! Wat dunkt u, is dat diefstal of niet? Een personeelschef van een van onze grote werven vertelde mij, wanneer iets meer gepresteerd werd — let op dat woordje „iets" — dan zou een in aanbouw zijnd schip, wel een maandje eerder klaar komen.
Uw rondkijker wil oppassen om niet te generaliseren, want er zijn gelukkig in ons land vele hand-en hoofdarbeiders die „trouwelijk arbeiden" en hun plicht verstaan. Men moet echter maar tussen zo'n groep zitten, wanneer men dan niet aan lijntreken doet, wordt men een buitenbeen. „Wil je een witvoetje bij de baas krijgen? " is het dan — maar de baas ziet het wel. IJver en werklust onder de jongeren wordt ook op grote bedrijven wel opgemerkt. Zulken komen het snelst in aanmerking voor promotie.
De gewraakte excessen komen in onze tijd toch meer en meer voor. Ik schrijf dit toe aan de hoogconjunctuur — er is immers een tekort op de arbeidsmarkt. Men kan overal terecht. Daar zit dus een zeker gevaar in.
Wil men met God en met ere, (zoals zoeven gezegd) door de wereld en een gezin opbouwen, zal er gearbeid moeten worden. We hebben onze rechten, maar zéker onze plichten. En onze talenten, ons door God gegeven, hebben we niet in een zweetdoek te bewaren maar om die tot ontplooiing te brengen. De Heilige Schrift geeft ons daar genoegzame voorbeelden van. En als wet dat doen, zal niet alleen het werk dat wij onder ons hebben, maar wij zelf ook er wel bij varen.
Wat een voorrecht als we goede arbeidslust hebben! The struggle for life — de strijd om het bestaan — moet ook weer niet ontaarden om een „streber" te zijn, om altijd boven anderen te willen uitsteken, maar moet gedaan worden in afhankelijkheid van Hem, die ons alleen de gaven, de krachten en de arbeidslust geven kan. De samenstellers van onze catechismus hebben dat zeer juist ingezien — lees de 49ste zondag — „opdat alzo en een iegelijk zijn ambt en beroep gewilliglijk en getrouwelijk moge bedienen en uitvoeren, als de engelen in de hemel doen." Om het zó te doen, daar zullen we allen hoofd voor hoofd wel in te kort schieten. Daarom moeten we in dat leerboek maar veel in de leer gaan.
Naschrift over een brief. Zo juist is nog een brief bij mij binnen gekomen van een abonné uit Eerbeek, handelend over het al dan niet aansluiten bij een (Chr.) Vakbond. Dit naar aanleiding van de in oktober en november j.1. hierover geschreven artikelen. De geachte inzender staat op het standpunt dat wij niet in de vakorganisaties thuishoren; niet omdat wij beter zijn, maar omdat we beter weten. De artikelen hierover geschreven heb ik afgesloten, omdat we er niet over bezig kunnen blijven. Alleen dit aan de inzender: ik heb diep respect voor diens zeer positieve mening, omdat hij zich om zuiver principiële redenen er van onthoudt. Hij doet het niet om betaling van de contributie te ontgaan, hij wil deze zelfs voor een goed doel offeren. Ik denk dat het „gratis lezersfonds van Daniël" dit wel op prijs zal stellen.
Het spijt mij echter wel, dat de geachte inzender verkeerde conclusies heeft getrokken uit het destijds geschrevene; hij moet weten dat iemand die lid is van de Geref. Gemeente en bij een Chr. Vakbond is aangesloten — evenals een verzekerde — daarvoor niet censurabel is. Het behoort dus tot ds gevallen van de consciëntie. Als de synode zich er niet positief over uitspreekt, moet uw rondkijker dit zeker niet willen doen.
Ten slotte nog dit: rondkijker ontvangt gaarne brieven van abonné's, die een of ander onderwerp toegelicht wensen te zien. Voor zover het in de lijn ligt van ons jongelingsblad „Daniël", zal hij daaraan gaarne voldoen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 januari 1957
Daniel | 8 Pagina's