OFFERS
Het Zondoffer
Het ambt van priester was een zeer belangrijk ambt in zijn bemiddeling tussen God en mens. Zijn verantwoordelijkheid was zo groot, dat wij die ternauwernood kunnen benaderen, maar anderzijds stond hij toch ook weer volkomen in de gestalte van de nederige dienstknecht, die niets menselijks vreemd was. Een mens „in zonden ontvangen en geboren en daarom aan alle ellende, ja aan de verdoemenis zelf onderworpen/' Het vele, bijna voortdurende omgaan met het hanteren van de heilige zaken en begrippen opent veelvuldig de mogelijkheid van vervlakking en onachtzaamheid, van zonde tegen het heilige. Dat is nu ook zo. Allen, die in enig verband staat tot de „heilige dienst", weten dit uit ervaring. Zij ondervinden dag aan dag dat, eer men het zich bewust is vaak, men inplaats van een dienstknecht des Allerhoogsten, een slaaf is van menselijke willekeur, onderworpen aan de goed-of afkeuring van mensen, waarnaar het gedrag bepaald wordt en dat men gaat spreken, waar men behoorde te zwijgen of omgekeerd.
Zo ging het ook de Oud-Testamentische priester. „Indien de priester, die gezalfd is, zal gezondigd hebben, tot de schuld des volks, zo zal hij voor zijn zonde, die hij gezondigd heeft, offeren een var, een volkomen jong rund, den Heere ten zondoffer (Lev. 4:3). Het gaat hier over de zonde van de
Het gaat hier over de zonde van de priester, .
De handeling met dit offer is gelijk aan die van het brandoffer (zie vorige artikel). Op één verschil moeten we echter wijzen: de „bloedsprenging."
Na het slachten sprenkelt de priester nu het bloed niet tegen het brandofferaltaar, maar hij gaat hiermede het heilige binnen en sprenkelt het zevenmaal tegen het voorhangsel.
Men moet hierbij niet denken aan een verschrikkelijke overdaad van bloed. De oude rabbijnen zijn geneigd te denken, dat we hier te doen hebben met een even „aantippen" met de met bloed bevochtige vinger aan het voorhangsel. Het is in ieder geval een telkens opnieuw verrichte beweging in de goede richting. Een gebrekkig, maar aangehouden heenwijzen naar het grote doel, dat door het zevental (de verbinding van 3, het getal des hemels, en 4, het getal der aarde) in zinnebeeld wordt uitgedrukt: Mijn priesterlijke handelingen hebben geen doel in zichzelf; hoe dikwijls ik ook uit mijn priesterlijke rol mag vallen en in zondige sleurgang mag verzinken, hier ligt mijn roeping en nergens anders.
Bij deze handeling staat de priester in de onmiddellijke nabijheid van het reukofferaltaar, dat bij de nu volgende handeling betrokken wordt. Immers nu strijkt de priester van het bloed uit het bekken aan de hoorn van dat altaar. Het reukofferaltaar staat op de grens van heilige en heilige der heiligen als een machtige heenwijzing naar het laatste, het einde, waarin alle schaduwen zullen moeten wijken voor het Licht. En als dat Licht gekomen zal zijn, Zich geofferd zal hebben als „een Gode welriekende offerande, " ja, dan zullen de „varren der lippen, " de gebeden en dankzeggingen van al de in Hem verlosten, als één machtig reukwerk tot God omhoog klimmen, van allen namelijk, die zich bevrijd weten van zonde en schuld.
Bij het brandofferaltaar wordt het restant van het bloed uitgestort, in de grond
gegoten om zo te zeggen. Dit werd trouwens met al het overgeschoten bloed van de offers gedaan.
Straks wordt het offer verbrand, zoals vet, nieren, lever enz., maar vlees, huid, ingewand enz. worden buiten het leger gebracht en daar verbrand; er mag dus niet van gegeten worden, he)t wordt ook niet op het altaar geofferd. We hopen D.V. hierop terug te komen bij een soortgelijke handeling op de Grote Verzoendag.
# O * Naast het zondoffer van de priester is er ook sprake van een zondoffer voor heel de vergadering.
De gang van zaken is dezelfde als hierboven omschreven, met uitzondering van de handoplegging, wat hier gedaan wordt door één van de oudsten. De gemeente in haar geheel heeft gedwaald, zonder te weten, dat ze dwaalde en dus zondigde. Dus is ze schuldig geworden en die schuld dient verzoend. Het is dus een verzoeningsoffer voor de gemeente als „gemeente."
Ook kende men nog het zondoffer voor een overste. Ook hij kan gezondigd hebben, terwijl hem dit later wordt bekend gemaakt. Dit verplicht hem tot een zondoffer, waarmee weer dezelfde handeling plaats heeft, met deze uitzondering, dat het bloed niet in het Heiligdom komt, maar gestreken wordt aan de hoornen van het brandofferaltaar. Het offer bestond uit „een geitebok, een volkomen mannetje."
Tenslotte het zondoffer van de mens van het v.olk des lands, dus van de enkeling, de particulier. Het offer was „een jonge geit, een volkomen wijfje, " aangevend de maatschappelijk lagere trap in verhouding tot de overste, die een geitebok van het mannelijk geslacht bracht.
Reeds eerder werd erop gewezen, dat uiteindelijk het ene offer naar menselijke normen maatschappelijk uitstekend boven het ander voor God niet waardevoller is dan het andere, wanneer het om het „zichtbare" gaat. Bij God is het onmogelijk, dat de rijke zich zou kunnen laten voorstaan op zijn rijkdom, die het hem mogelijk maakt een „groot offer" te brengen. Voor de rijke, die dat zou denken, geldt het woord „dat een rijke bezwaarlijk in het koninkrijk der hemelen zal ingaan." God zegt: om met een var, kom met een bok, kom met een duif, kom met een handvol bloem, het doet er niet toe. Maar .... kom met een verbroken geest en een verslagen hart! „Want Dien, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem." (2 Cor. 5 : 21).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 januari 1957
Daniel | 8 Pagina's