Het zendingswerk in bloed gesmoord
Ds. Robertus Junius, de helper van Candidius op Formosa, moest om gezondheidsredenen in 1644 het schone eiland verlaten. In het vaderland teruggekeerd, mocht hij nog een jaar of elf in de wijngaard des Heeren arbeiden. In die tijd heeft hij voorname plaatsen als predikant gediend. Zijn werk op Formosa was niet ongezegend. Van hem wordt getuigd, dat hij „bijna twaalf jaren met Gods zegen de inwoners van vele dorpen niet slechts van de afgoderij, maar ook van hun barbaarse zeden bevrijd en een christelijke gemeente onder hen gesticht had, met zoveel vrucht, dat hij enige duizenden zielen tot Christus heeft gebracht. Maar ook heeft hij door zijn godvruchtige wandel aan de inlanders een voorbeeld gegeven."
Enige jaren na het vertrek van Junius kwam ds. Daniël Gravius op Formosa. Deze zendeling kende al vrij spoedig de taal van het volk en zou later het evangelie van Mattheus in de landstaal overzetten. Erg jammer, dat hij werd tegengewerkt door een zekere Verburch, die een jaar na Gravius' komst gouverneur van Formosa was geworden. Verburch was een vijand van het evangelie en hij rustte niet voor de ijverige Gravius van het eiland weg was. Slechts vier jaar had hij op Formosa mogen arbeiden. In het vaderland teruggekeerd, begon hij aan de genoemde vertaling. Hij diende in ons land de gemeenten Vere en Middelburg.
Het gezegende werk op Formosa zou echter wreed worden afgebroken. Een Chinees, Kok Seng A of Coxinga genoemd, ging het bedrijf van zeerover uitoefenen. Eerst was hij kleermaker bij de Compagnie geweest, maar hij had Formosa verlaten, met het doel heerser in China te worden. Dit mislukte evenwel en na het verliezen van een zeeslag moest hij zwalken op zee met het restant van zijn vloot. Hij moest een veilige plaats zien te bemachtigen om van daaruit aanvallen te doen op het chinese vasteland. Was er een beter plaats denkbaar dan het schone eiland Formosa, dat hij zo goed kende? Vanaf dit eiland kon hij de zee afroven en tegelijkertijd had hij dan een geschikte basis om uitvallen te doen op China. Hij wist echter wel, dat het niet gemakkelijk zou gaan om vaste voet op het eiland te krijgen, want het hollandse fort Zeelandia was sterk: het had een duizendtal mannen, waarmee niet te spotten viel. Coyet, de bevelhebber van het fort, had al gauw in de gaten, wat Kok Seng A in de zin had. Hij waarschuwde de Gouverneur-Generaal, die inlichtingen inwon bij Verburch, de man, die Gravius had weggewerkt. Verburch zei, dat Coyet vreesachtig was uitgevallen en dat het best zou loslopen. Het duurde dan ook lang eer er versterking kwam opdagen. Tenslotte arriveerden twaalf schepen met zeshonderd man. De zeeschuimer Kok Seng A zou het nu wel laten om een aanval te ondernemen. Maar wat gebeurde? De vlootvoogd Van der Laan liet drie schepen bij Zeelandia en ging op eigen houtje terug met de andere schepen naar Batavia. Coyet had nog zó gezegd, dat toch niet te doen, maar de vlootvoogd was onhandelbaar en.. . . Coen en Van Diemen stonden niet meer aan het hoofd van de Compagnie. De „Grote Heer" in Batavia was niet zo'n krachtige persoonlijkheid als zijn voorgangers.
De Chinese piraat had op het vertrek van Van der Laan gewacht en probeerde nu zijn slag te slaan. Hij landde op het eiland en begon meteen de hollandse zendelingen met hun vrouwen en kinderen en de inboorling-christenen gevangen te nemen. Die gevangenen werden in een kamp bij de legerplaats van de zeerover opgesloten.
En nu de aanval op het fort. Dat ging echter niet van een leien dakje.
De hollandse bezetting dacht niet aan overgave en Kok Seng A verloor duizend man. Dat kon zo niet voort gaan, dacht de kaper. Hij liet ds. Antonius Hambroek, die een jaar na Gravius aan het zendingswerk was begonnen, maar nu met zijn vrouw en twee kinderen in handen van de Chinees was gevallen, bij zich komen. Een vreselijke boodschap moest de gevangen man gaan doen. Hij moest een brief brengen naar Coyet, de bevelhebber van het fort. In die brief werd de overgave van Zeelandia geëist en Hambroek moest het zijne er bij doen om Coyet tot overgave te dwingen. Gaf Coyet zich niet over, dan zouden al de gevangenen gedood worden. Indien Hambroek niet terug kwam, dan zou Kok Seng A zich wreken aan de vrouw en de kinderen van de zendeling.
Ds. Hambroek werd in het fort toegelaten, overhandigde de brief, maar spoorde de Hollanders aan, zich tot het uiterste te verdedigen; aan overgeven moesten zé niet denken. Twee dochters van hem, die ook in het fort waren, smeekten haar vader bij de bezetting te blijven, maar hij zou zijn woord houden en terug keren naar de Chinees. Hij mocht toch ook zijn vrouw en kinderen niet in gevaar brengen? Hambroek wordt in de geschiedenis genoemd „een onbe-
weeglijke en standvastige man, als een rots tegen het klotsen der baren pal staande."
Toen de moedige man terug keerde met de boodschap, dat het fort zich niet zou overgeven, kende de woede van Kok Seng A geen grenzen. Enkele honderden gevangenen, waaronder ook Hambroek, werden gedood en de wreedaard bleef Zeelandia belegeren.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 december 1956
Daniel | 8 Pagina's